*

 

De familie koestert verzinsels

T. VAN DEEL − 20/04/02, 00:00

recensie De ondertitel spreekt van een 'familieverhaal', maar in de tekst heet het herhaaldelijk een 'vertelling' en ook wel 'deze kleine geschiedenis'. Het is duidelijk dat Doeschka Meijsing in haar nieuwe boek, dat ik gerust een roman zou durven noemen, de geschiedenis van haar familie, meer in het bijzonder van haar moeder, heeft willen schrijven. Maar tegelijkertijd heeft zij haar verbeeldingskracht moeten inzetten om met behulp daarvan een waarheid te verzinnen die de historische te boven gaat: de waarheid van een goed verhaal.

Dat '100% chemie' een meeslepend familieverhaal is geworden, heeft alles te maken met het literaire karakter ervan. Hier wordt inderdaad, zoals Frans Kellendonk het heeft genoemd, onderzoek gedaan door middel van de verbeelding. Meijsing doet in een briljante, want veel omvattende, stijl en in een rijk geschakeerde compositie haar verhaal. ,,Binnen een wijdvertakt familieverhaal staan alle pijlen in verraderlijke richtingen. Noem één ding, één voorwerp en je holt ademloos achter een vervolgverhaal aan dat pas aan het eind een zijweg blijkt te zijn, of een doodlopende steeg. Familiegeschiedenissen zijn labyrinten, vooral wanneer je voorgangers je moedwillig de doolhof in sturen, omdat zijzelf er zo vaak de weg zijn kwijtgeraakt.''

Deze labyrintische structuur is zeker te herkennen in het boek, maar dat neemt niet weg dat alles wat erin verteld wordt van een grote samenhang getuigt. Dat is eigenlijk al af te lezen aan de titels van de zes hoofdstukken waaruit het bestaat: Verhalen, Auto's, Schoenen, Stoffen, Wol, Veren. Telkens vertegenwoordigt de titel het epicentrum van een storm aan verhalen die eromheen woedt en die door een knap synthetiserend vertellen in banen geleid wordt. Meijsings zinnen, niet zelden van een flinke lengte, zijn vol en beeldend en lopen als een lier:

,,Dan sprongen ze in de open calèche, de drie dochters met hun rieten reiskoffers, de schoolpetten op het hoofd, alledrie met verschillend gekleurde linten, de zedige schooluniformen hooggesloten ondanks de al losgebarsten zomer, en dan joeg Lina de twee vossen met klinkende hoeven de stad door, langs de zaak van Schlomo Nussbaumer, die de zonovergoten koets de scherpe draai de Rossmarkt op zag maken en die bedacht hoe huiveringwekkend snel de tijd voortjakkerde naar -ja, naar wat eigenlijk?''

Dit speelt zich allemaal nog in Duitsland af, voor de Eerste Wereldoorlog. De moeder en haar familie zijn uit Duitsland afkomstig. De grootouders besloten in 1934 met hun twee kinderen, onder wie de moeder, naar Nederland te emigreren.

Haar joodse grootmoeder, zo stelt het kleinkind zich voor, las in hetzelfde jaar dat de burgemeester van Frankfort het Heinrich Heine-monument uit de stad liet verwijderen, diens gedicht 'Belsazar', waarin koning Belsazar op de muur van zijn feestzaal een hand ziet schrijven Mene Mene Tekel Ufarsin. ,,Wat een gewaagd idee dat Belsazar Bettina Bory (de grootmoeder) ertoe aanzette te vertrekken'', schrijft de kleindochter in haar boek.

Het is niet de enige keer dat Meijsing haar personage zich op het spel van de verbeelding laat betrappen. Haar moeder waarschuwt er al voor dat 'al haar kinderen' schrijvers zijn en dat je voor dat soort op moet passen, want ze zijn niet op de waarheid uit, maar koesteren hun verzinsels. Die zijn dan ook prachtig, neem deze, waarin een papegaai optreedt: ,,Hoe lang de arme Pfiffikus heeft geleefd weet niemand, maar als ik mijn best doe zie ik op de door kromme appelbomen omzoomde landweg tussen de nog net geen vlam vattende korenvelden onder de hete augustuszon van 1924 mijn overgrootvader van Michelau naar Wasserloos lopen, aan een touw een roze varken met moeilijke voeten en op de kop van het varken de arme Pfiffikus met zijn vuurrode staart, die de hele weg opgewonden snerpt: 't Is niet ver meer, moederskindje'.''

Het cruciale gegeven in het leven van de moeder is dat zij vóór 1934 de dochter was van een immigrant in Duitsland (haar vader was Nederlander) en daarna de dochter van een immigrant uit Duitsland. Zij is in Nederland een verscheurde vrouw, in wiens taal de Duitse taal nog volop doorklinkt.

Na de oorlog gaat het gezin dikwijls naar familie in Duitsland en bestaat er een speciale band met tante Else, die een schoenenmagnaat is en het hele gezin gratis van schoeisel voorziet. De beschrijving van een thuisreis met een auto boordevol schoenendozen is hilarisch, vooral ook vanwege de misleidingstactiek bij de douane.

De gehele roman is trouwens humoristisch. Dat zit hem niet alleen in de talrijke geestig geformuleerde passages, ook in de zich herhalende elementen, zoals 'mijn oom die in een emmer was geboren' of de grootvader bezig 'met het slijpen van zijn potloden voor het nooit te bouwen tuinhuis'.

Veel familieleden zijn in deze roman geboekstaafd en ook veel gebeurtenissen. De geschiedenissen van Bettina, Pfiffikus, van de emmergeboorte, van de Lederhosen, van de wollen kleren door de moeder gebreid, van de reizen naar het zuiden, van de schoenen met kurken zolen, van de bacteriegevoeligheid van de moeder, het pijproken van de vader, en tientallen meer. De herinneringen, ook die aan het onbekende, verdringen elkaar in '100% chemie' -uitspraak van de moeder die gelooft dat we uit niets anders dan chemie bestaan- en kunnen door het minste of geringste opgeroepen worden. Zo legde de moeder, als het gezin met vakantie was aan het Lago Maggiore, weinig kookkunst aan de dag: ,,In het zuiden zijn moeders makkelijker. Ze was, al was het op het nippertje, zo'n twintig stappen van de Italiaanse grens, in het land van Knorr. Ze smeet de spaghetti uit de pan, gooide er een blik gepelde tomaten over en bestrooide het geheel met een busje Aromat. Eén korrel Aromat op de tong en alle lange zomers aan het Lago Maggiore vouwen zich weer open, als de bouwplaten die uit een kinderboek oprijzen wanneer je het opendoet.''

Toen de grootouders in 1934 naar Nederland emigreerden, lieten zij vrijwel alles achter, maar de grootmoeder nam wel haar vogeltje Pfiffi mee in een kooitje. Als haar moeder dit feit tussen neus en lippen door vermeldt, is dit nieuws voor haar dochter, die wil weten waar dat vogeltje is gebleven. Het korte en krachtige antwoord luidt: ,,Dat vogeltje is in quarantaine gestorven''. De douane vond verzorging van het diertje kennelijk niet nodig.

Deze kleine gebeurtenis wordt in de verbeelding van deze roman uitvergroot en zegt iets over de ramp die de emigratie, ook voor de moeder, heeft betekend.

mailIcon print |