*

 

Nieuwe etappe in Nederlandse natievorming

JAN KUIJK − 20/04/02, 00:00

recensie ,,Nederland mag dan niet de meest opwindende plek zijn om te wonen, maar het brengt tenminste geen nachtmerries voort.'' Piet de Rooy geeft dit oordeel van de Zuid-Afrikaanse schrijver J. M. Coetzee als motto mee aan zijn nieuwste boek 'Republiek van rivaliteiten' en daarmee is de toon gezet voor deze geschiedenis van ons land in de negentiende en twintigste eeuw.

De Rooy is in Amsterdam hoogleraar in de Nederlandse geschiedenis (het vak 'vaderlandse geschiedenis' is voor de faculteit in Leiden gereserveerd) en een man met een grote maatschappelijke betrokkenheid, al uit die zich niet in radio- of tv-optredens.

Ik denk dat hij dit boek vooral geschreven heeft voor allen die willen meedoen aan de discussie die nu in ons land gevoerd moet worden over de plaats van de nieuwe minderheid, die zich in ons land heeft gevormd door de sterke immigratie van de laatste twintig jaar. Het is niet zonder reden dat De Rooy meteen in de inleiding verwijst naar Ernest Renan, de negentiende-eeuwse Franse historicus, en naar diens ideeën over de vorming van de natie (wat iets anders is dan de staat) als sociaal-culturele eenheid: voor natievorming zijn gedeelde ervaringen uit het verleden (goede en slechte) nodig, maar vooral ook de wil om met elkaar de toekomst in te gaan. ,,In dat opzicht wordt de natie elke dag opnieuw aan een volksstemming onderworpen'', meende Renan en daarvoor is kennis hoe het allemaal zo ver gekomen is, mooi meegenomen.

Voor De Rooy (als voor velen) zal de liefde voor de geschiedenis in de eerste plaats uitgaan naar geschiedverhalen, maar in dit boek blijkt hij zich op dit punt goed te kunnen beheersen. Zijn boek is in het voetspoor van Renan eerder een uitgebreid essay geworden over de ontwikkeling van de Nederlandse identiteit in de twee voorafgaande eeuwen.

Het ontbreken van de grote verhalen wordt daarbij meer dan goed gemaakt door een groot aantal treffende en vaak ironische karakteriseringen en observaties, zoals die over de WAO als 'de gouden handdruk voor de gewone man'. Over Henri Polaks Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond (de wieg van de moderne vakbeweging) heet het dat deze ,,probeerde te fungeren als verkoopkartel van arbeid''. En van zijn tante in de Brabantse Langstraat herinnert De Rooy zich (hij is zelf van 1944) dat zij in de jaren vijftig telefoon kreeg, maar eerst haar schort afdeed als zij de telefoon moest opnemen. Opzienbarend lijkt me verder dat hier voor het eerst in een wetenschappelijke studie wordt vastgesteld dat Nederland in 1974 'ten onrechte' door Duitsland is uitgeschakeld voor het wereldkampioenschap voetballen.

Wat De Rooy vreest in het hedendaagse debat over integratie of assimilatie (of hoe je het ook wilt noemen) is de miskenning van de grote verscheidenheid die het Nederlandse volk zijn hele geschiedenis door heeft gekenmerkt zonder dat we elkaar de koppen hebben ingeslagen of aanleiding hebben gegeven voor nachtmerries. Het is waar: inmiddels vormt het grootste deel van het Nederlandse volk een redelijk gezeten middenklasse. Maar om daaruit te concluderen, zoals Ser-voorzitter (en CDA-coryfee) Herman Wijffels vorige week voor de televisie deed, dat de emancipatie van de bevolkingsgroepen voltooid is, zodat we tot een andere vorm van democratie en partijvorming kunnen overgaan, is met die duizenden nieuwe landgenoten in ons midden van een indrukwekkende kortzichtigheid.

De Rooy wekt de indruk het niet zo begrepen te hebben op de gezeten negentiende-eeuwse burgerij, die meende de maat van alle dingen te mogen zijn -een verschijnsel dat de nieuwe middenklasse van de twintigste eeuw met dezelfde hardnekkigheid begint te vertonen. Hij prijst weliswaar een typisch negentiende-eeuwer als de romantische liberaal H.P.G.Quack (bankdirecteur en schrijver van de zesdelige studie 'De Socialisten'), die het gevaar van een klassenstrijd onderkende en daarom de hogere standen opriep minder aanleiding te geven tot jaloezie. En hij gaat evenmin voorbij aan de verdiensten van echte liberalen als Thorbecke en Cort van der Linden voor hun aandeel in de opbouw van een rechtvaardiger maatschappij en het betrekken van steeds meer mensen in het debat. Maar hij citeert ook met welgevallen Abraham Kuyper als deze de eenvormigheid als 'de vloek des modernen levens' neerzet.

Het is duidelijk: we zijn er nog lang niet met onze natievorming. Het blijkt een voortdurend proces te zijn en het lijkt me dat een aantal door Arend Lijphart zo mooi voor zijn Amerikaanse studenten beschreven modellen van de verzuiling daarbij nog heel goed bruikbaar zijn, alle modieuze prietpraat daarover ten spijt. De Rooys oordeel op dit punt aan het slot van zijn boek is niet altijd even duidelijk, maar in elk geval geeft hij zich niet aan prietpraat over. Hij blijft prikkelen en zijn nuchterheid is ontwapenend.

mailIcon print |