*

 

Nog vóór de Campo stomgeslagen

Ton Crijnen − 06/03/02, 00:00

recensie 'Terwijl men verder trok raakte Bruno opgewonden. Hij reageerde op de spottende uitroepen van de menigte, beantwoordde het geschreeuw met passages uit zijn boeken (...) Na enkele minuten lieten de gerechtsdienaren de stoet halt houden. Ze riepen een van de beulen en terwijl twee anderen Bruno's hoofd recht hielden, ramde de eerste een lange metalen pin door diens linkerwang, dwars door tong en rechterkaak. Daarna werd een andere verticaal door zijn lippen geslagen. Het bloed spatte in het rond.'

Zo is Giordano Bruno op 17 februari 1600 letterlijk de mond gesnoerd. Op de wrede manier waarop men in zijn tijd met 'ketters' placht om te springen. De gewezen pater dominicaan was op weg naar de Campo dei Fiori in Rome, waar hij diezelfde ochtend de vuurdood stierf. Aldus ontdeed de rooms-katholieke kerk zich van een eigenzinnige Italiaanse filosoof, dichter en schrijver. Als straf voor het feit dat hij het, door Aristoteles beïnvloede en door de kerk sinds eeuwen gekoesterde, antropocentrische wereldbeeld verwierp en met nieuwe kosmologisch-pantheïstische ideeën kwam.

Zijn veelbewogen leven is al vaak beschreven. Dit keer heeft de Engelsman Michel White, gelauwerd biograaf van onder meer Isaac Newton, zich eraan gewaagd. Met het kerkelijk proces tegen Bruno (1592-1600) als kern schetst hij helder diens leven en denken. Hierbij besteedt hij terecht veel aandacht aan Bruno's hermetisch-alchemistische interesse die overigens kritischer was dan men vaak denkt. Jammer dat zijn literaire werk bij White nauwelijks uit de verf komt.

De levensloop van de Italiaan is snel samengevat. In Nola bij Napels geboren (1548) ontvluchtte hij vier jaar na zijn priesterwijding het klooster, geëxcommuniceerd wegens ketterse sympathieën (men had hem betrapt op het lezen van werk van de humanist Erasmus en van de 'ketter' Arius).

Daarna leidde Bruno een zwervend bestaan: Genève, Toulouse, Parijs, Londen, Frankfort en Venetië. Overal doceerde hij, schreef hij boeken, had hij contact met filosofen en theologen, met kabbalisten en occultisten, probeerde hij vorsten als Hendrik III (Frankrijk) en Elisabeth I (Engeland) ertoe te bewegen zijn ondogmatische geloofsvisie aan te hangen. Tevergeefs. Zijn laatste mecenas, ene Giovanni Moncenigo, gaf hem in Venetië aan bij de Inquisitie, wat leidde tot Bruno's ondergang.

White maakt er geen geheim van waar zijn sympathieën liggen: ,,bij de man die werd vermoord door de handen van de Inquisitie, een zestiende-eeuwse Schutzstaffel'. Zo'n vergelijking met de SS zet de toon in een boek dat opvallend weinig op heeft met historische relativering.

Het bewijst eens te meer dat een afgewogen oordeel over de Inquisitie, van Spaanse dan wel Romeinse snit, moeilijk blijft. Of men verdoezelt de barre misgrepen, of men stelt haar activiteiten voor als het duivels handwerk van klerikale sadisten. Voor nuances lijkt weinig ruimte. Wat Bruno betreft maakt Rome het mensen als White ook wel gemakkelijk. Terwijl Galileï weer tot de 'enige ware' schaapsstal is toegelaten, moet Bruno postuum buiten in de kou blijven staan. Reden: een aantal van z'n opvattingen ligt het Vaticaan nog steeds zwaar op de maag. Met name zijn stelling dat God en natuur samenvallen en dat in die eenheid het grootste en het kleinste, god en mens, mens en dier, dier en gesteente metafysisch hetzelfde zijn.

White noemt Bruno de directe wegbereider voor moderne quantumgeleerden als Heisenberg, Bohr en Schröder. En met zijn, in 1591 te Frankfort geschreven, trilogie De immenso, De monade en De minimo zou hij het werk van de Weense filosoof Popper drieënhalve eeuw voor zijn geweest.

Dat lijkt allemaal wat overtrokken. Al is het een feit dat Bruno met zijn suggestie dat ons zonnestelsel niet de kern van de kosmos vormt, maar dat er een bijna oneindig aantal van dat soort stelsels bestaat, de grondslag legde voor het moderne heelalbegrip. Hij oversteeg daarmee zelfs Galileï, met Copernicus de vader van het heliocentrisme.

In die tijd niet minder revolutionair -en voor de rk kerk onacceptabel- was Bruno's conclusie dat andere stelsels mogelijk ook levende en denkende wezens bevatten. Het verklaart tevens zijn huidige populariteit. Al is het werk waarin hij deze denkbeelden heeft vervat -Dell'infinito universo e mondi, 1584- niet om doorheen te komen.

Bruno's ideeëngoed heeft duidelijk invloed gehad op het werk van een aantal filosofen dat na hem kwam. Leibnitz' monadenleer en het natuurbegrip bij Spinoza grijpen op hem terug. Maar een allesomvattende filosofie zul je bij Bruno niet aantreffen. Daar waren zijn gedachten te verbrokkeld voor, te weinig coherent en soms wat te dweperig.

Zijdelings laat White doorschemeren dat Bruno veel van het malheur dat hij ondervond, over zichzelf heeft afgeroepen. Hij was bepaald geen diplomaat, raakte regelmatig verstrikt in heftige ruzies over de meest triviale zaken en had de gave juist die mensen van zich te vervreemden die het best in staat waren hem te beschermen. Tegen het advies van vrienden in keerde hij terug naar Italië en daardoor raakte hij binnen armbereik van de Inquisitie. In de naïeve misvatting dat hij de paus (Clemens VIII) wel van de juistheid van zijn opvattingen zou weten te overtuigen ging Bruno met open ogen de ondergang tegemoet.

mailIcon print |