*

 

En Shakespeare, vooral Shakespeare

T. VAN DEEL − 23/02/02, 00:00

recensie Waarom literatuur lezen? Op die vraag zijn talloze antwoorden te geven en gegeven. De een leest om een esthetische ervaring deelachtig te worden, de ander om kennis op te doen van de menselijke natuur. Er zijn er die lezen als een vorm van ontspanning beschouwen, terwijl anderen juist de betrekkelijke moeilijkheid van literatuur als een aangename opdracht ondergaan. Hoe en waarom literatuur lezen, lijkt geen eenvoudig te beantwoorden vraag.

Wel voor de Amerikaanse criticus Harold Bloom, even in de zeventig en al bijna een halve eeuw veel publicerend. In zijn nieuwste boek, 'De kunst van het lezen', staat al in de eerste alinea van het Voorwoord waarom hij vindt dat we moeten lezen: ,,Het voert je terug naar het andere in jezelf''. In het vervolg zal deze opvatting over het nut van lezen nog vaak in vergelijkbare bewoordingen terugkomen, dikwijls met gebruikmaking van het 'zelf': ,,We hebben het zelf hernieuwd en verdiept''. ,,Als, zoals ik beweer, een hoofdreden om te lezen het versterken van het zelf is, dan is zowel Whitman als Emily Dickinson een essentiële dichter.''

Dit zelfonderzoekende lezen illu streert Bloom met korte besprekingen van vele tientallen verhalen, gedichten, romans en toneelstukken uit de Europese en Amerikaanse literatuur. Hij schuwt daarbij het grote gebaar niet en prijst zijn voorbeelden de hemel in op een toon die hier en daar gerust geëxalteerd mag heten. Alles is uniek, schitterend, essentieel, universeel, indrukwekkend en vooral Shakespeare, aan wie Bloom in 1999 een onmatig volumineuze biografie wijdde, moet en zal op vrijwel elke bladzij genoemd worden.

De stijl van dit enthousiasmerend bedoelde boek is niet al te best -dat bleek al uit het gedoe met dat 'zelf'- maar die indruk zal nog versterkt zijn door de vertaling die kennelijk geen enkel redactioneel commentaar heeft gekregen. Zo wordt er gesproken van 'Tsjechovs impressionistische kijkjes op de feitelijkheden van ons bestaan'. Het Engels kan ik me er zo bij voorstellen, maar in het Nederlands staat er onzin.

Bij de korte verhalen die hij bespreekt, van onder anderen Tsjechov, Hemingway, Nabokov, Borges en Calvino, onderscheidt Bloom een 'tsjechov iaanse-hemingwayeske' en een 'borges iaanse' traditie. Die tweedeling komt grofweg overeen met die tussen realisme en fantasmagorie. Een schrijver als Borges beschouwt de realiteit als een fictie en is op zoek naar wat er 'achter de veronderstelde werkelijkheid ligt'. Het is duidelijk, aldus Bloom, dat we de twee tradities 'op verschillende manieren lezen, zoekend naar waarheid bij Tsjechov of voor het binnenste buiten keren van de waarheid bij de borgesianen'. Ook alweer niet bepaald een formulering om jaloers op te worden.

De poëziebehandelingen zijn in feite de meest animerende gedeeltes van dit boek, want daarin zijn de gedichten zelf opgenomen. De inhoud van de verhalen, romans en toneelstukken moet samengevat worden en dat is toch altijd behelpen. Bloom kiest voor zijn lievelingsgedichten, voor het befaamde 'O roos, gij zijt ziek!' van Blake, voor 'De adelaar' van Tennyson, voor de volksballade 'Sir Patrick Spence', voor drie Shakespeare-sonnetten vanzelfsprekend, voor Miltons 'Verloren paradijs' en voor 'La Belle Dame Sans Merci' van Keats. Maar ook voor Housman, Dickinson, Browning, Whitman, Wordsworth, Coleridge en Shelley. In het geval van poëzie laat hij dus, overigens zonder daar een verklaring voor te geven, alleen Engelstalige gedichten in zijn selectie toe. Het zal er wel mee te maken hebben dat gedichten in vertaling veel van hun oorspronkelijke aantrekkingskracht verliezen. Al moeten wij het, in deze vertaling van Blooms boek, nu wel alleen met vertalingen stellen. Vandaar dat er wel enige frictie ontstaat tussen Blooms juichende commentaren en de poëzietekst waarop die slaat.

Ergens zegt hij: ,,Ik raad dit gedicht krachtig aan om uit het hoofd te leren''. Hij is niet de enige die er zo over denkt. ,,Ik ken veel mensen die voortdurend gedichten voor zichzelf opzeggen in het besef dat het bezit van en bezeten zijn van de gedichten hen helpt in hun leven.'' Het uit het hoofd leren en je toe-eigenen van gedichten, het internaliseren van poëzie, betekent een 'veelomvattender levensgevoel'. Daar heeft Bloom gelijk in. Ook als hij de poëzie als de meest wezenlijke literaire vorm opvat: ,,Gedichten kunnen ons helpen duidelijker of vollediger tot onszelf te spreken en dat spreken af te luisteren. [...] We praten tegen een ander deel van onszelf, of tegen dat wat het beste en oudste in onszelf is. We lezen om onszelf te ontdekken, vollediger en vreemder dan we anders konden hopen.''

Vrijwel steeds aan het slot van zijn besprekingen vraagt Bloom zich af waarom we dit verhaal, dit gedicht, deze roman of dit toneelstuk moeten lezen en het valt dan op dat hij die vraag meestal beantwoordt met een beknopte samenvatting van de thematiek, heel schools en vertrouwd. Het is weliswaar zijn visie op het werk in kwestie, maar het argument voor het moeten gaan lezen wordt gezocht in de diepere inhoud, in wat we eruit kunnen meenemen of leren (voor ons Zelf). Een voorbeeld: Shelley ,,heeft het over iets wat in iedere lezer verborgen zit, want wie van ons is er niet bang dat hij of zij niet vermomd is, niet bij zijn ware zelfheid (de vonk) kan komen door de aantasting van dood-in-leven?'' De vertaling maar weer even voor lief nemend.

Waarom moeten wij Keats' 'Belle Dame' lezen? ,,Om zijn wonderbaarlijke verwoording van het universele verlangen naar liefde en zijn diepgaand besef dat alle, literaire en menselijke, romantiek berust op onvolledige en onzekere kennis.'' Waarom moeten wij 'Don Quichot' lezen? ,,Het blijft zowel de beste als de eerste van alle romans, net zoals [daar gaan we weer, TvD] Shakespeare de beste aller toneelschrijvers blijft. Er zijn delen van jezelf die je niet ten volle kunt kennen tot je Don Quichot en Sancho Panza zo goed mogelijk kent.''

De romanciers verdeelt Bloom over een Europese en een Amerikaanse traditie, die respectievelijk aanvangen met Cervantes en Melville. In Prousts 'Op zoek naar de verloren tijd' ziet hij de 'luisterrijke afsluiting van de klassieke roman'. In de Amerikaanse roman zijn Faulkner, West, Pynchon, McCarthy, Ellison en Morrison op te vatten als 'kinderen van Melville'.

Wat het toneel betreft: slechts drie stukken komen hier in behandeling. Het zijn 'Hamlet' van Shakespeare, 'Hedda Gabler' van Ibsen en 'Het belang van Ernst' van Wilde.

Door het hele boek heen klinkt de zorg over de vulgarisatie van de smaak en het oordeel. Dat het Bloom ernst is met zijn pleidooi voor de echte en ware literatuur, voor de grote schrijvers die ons leven kunnen veranderen, is onmiskenbaar. Vandaar dat bij alle bezwaren die tegen de stijl en de aanpak van 'De kunst van het lezen' kunnen worden ingebracht, de intentie ervan overtuigt. ,,Vandaag de dag worden veel romans te zeer geprezen om sociale redenen en worden boeken die als supermarktlectuur zouden moeten worden beschouwd, gesanctioneerd door de universiteiten.'' Grote literatuur is het beste antidotum tegen middelmatigheid en literaire pulp.

mailIcon print |