recensie De Engelse auteur Mick Jackson werd voor zijn debuutroman, 'De tunnelman', meteen genomineerd voor de Booker Prize. Nu, vijf jaar later, ligt zijn tweede roman 'De bijenkoning' in de winkels en is het duidelijk dat Jackson de belofte inlost.
'De bijenkoning' is een verrassende roman zonder traditioneel begin, midden en eind. De eerste hoofdstukken vertellen het verhaal van een Londens jongetje dat tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de bombardementen weet te ontsnappen, doordat hij als evacué naar het platteland wordt gezonden. Hier wil niemand hem in huis nemen totdat hij uiteindelijk bij een oude vrijster wordt gedumpt, die niets anders van kinderen weet dan dat ze frisse lucht nodig hebben en het jongetje dus de hele dag de straat op stuurt, het kleine dorp in, waar hij niemand kent.
Zelden is een gevoel van vervreemding schrijnender beschreven dan Jackson in deze hoofdstukken doet. Niet alleen begrijpt het ventje niet wat er precies gebeurt, hij maakt zich ook zorgen over zijn ouders die nog steeds aan de bombardementen zijn blootgesteld, en weet totaal niet wat hij van de dorpsbewoners moet denken.
Maar het leed manifesteert zich ook in kleine dingen die zo anders toegaan dan thuis. Zo vergeet zijn gastvrouw dat hij 's avonds altijd zijn tanden moet poetsen, waardoor hij met kiezen die aan elkaar plakken van een toffee de slaap probeert te vatten. Al met al voelt hij zich zo ellendig, dat hij zich oefent in het denken aan kille, naargeestige dingen, omdat dat nog altijd beter is dan de schrijnende pijn van heimwee toe te laten. Maar verdringen helpt niet. Uiteindelijk slaapt hij 's nachts niet meer op bank die zijn gastvrouw voor hem opmaakt, maar kruipt hij weg tussen de emmers en oude schoenen in een rommelhok, omdat alleen die kleine ruimte hem nog een beschut gevoel geeft.
Maar wie denkt dat dit het verhaal van de evacué wordt, komt bedrogen uit; Jackson verandert van perspectief en gaat door met de beschrijving van het leven van vijf dorpsjongens, alle vijf even oud en gezworen kameraden, om vervolgens naar het einde toe ook de logica van dit verhaal los te laten en steeds meer bizarre wendingen en ontknopingen te introduceren.
Niet de personages staan centraal in de roman, maar de setting, het leven in een klein Engels dorp, vlakbij zee, in oorlogstijd. De oorlog gaat grotendeels aan deze dorpsbewoners voorbij. Weliswaar zijn de meeste mannen naar het front gestuurd, maar de achterblijvers worden daar niet warm of koud van. Het is nu eenmaal zo, is de algemeen heersende opvatting, en niemand die daar vraagtekens bij plaatst. Hiermee zet Jackson het clichébeeld van 'de achterlijke plattelanders' wel iets te dik aan, maar de ironie en humor waarmee hij dit doet, maken veel goed. Wanneer de Amerikanen een deel van de kustlijn vorderen, kunnen de bewoners zo veel vreemdelingen in hun dorp geestelijk amper aan: ,,Een voornaam kenmerk van hun leven in dit dorp was dat je iedereen herkende die voorbijkwam, dus toen mejuffrouw Pye op haar vensterbank leunde [...] had ze bij elk soldatengezicht het onwillekeurige gevoel dat het bekend zou blijken als ze maar goed genoeg keek - wat haar na een poosje ietwat draaierig maakte, en vervolgens meer dan een beetje misselijk.'
De vijf jongens redden zich prima zonder hun vaders. Ze halen kattenkwaad uit, sjokken langs landweggetjes en hangen rond. Hun hele verdere leven lijkt uitgestippeld. Slechts een van hen droomt van een bezoek aan Londen, wat voor hem zo ongeveer gelijkstaat aan een reis naar een andere planeet.
In het dorp ontstaat enige beroering wanneer er zich een alleenstaande bijenhouder vestigt die het zich niet verwaardigt met de dorpsbewoners te praten en hierdoor al snel de bijnaam de Bijenkoning krijgt. De enige die contact met hem hebben, zijn de vijf jongens. Opeens blijkt hoezeer zij een mannelijk rolmodel hebben gemist. Van de Bijenkoning leren ze aspecten van het leven die tot dan toe ver van hun bed stonden. Hij legt hun uit hoe het bijenvolk in elkaar steekt: ,,De jongens waren lichtelijk ontzet toen ze vernamen dat de werkbijen altijd vrouwtjes waren, en ronduit ontsteld toen de Bijenkoning over de darren vertelde, dat die de kast als een luxe herenclub beschouwden - niksnutten, die er dan ook uit werden gemieterd als met de herfst de nectarloze tijd aanbrak.'
De Bijenkoning leert de jongens allerlei fantastische taarten bakken, waardoor hun maaltijden thuis aan glans verliezen, en hij leert hun dansen op het dorpsplein. De jongens vinden het allemaal prachtig: ,,Hoe meer tijd ze bij hem doorbrachten, des te sterker het besef werd dat ze jarenlang veronachtzaamd waren.' Thuis wordt hun aanwezigheid getolereerd; bij de Bijenkoning werkelijk gewaardeerd. De ouders zien het met stijgende ongerustheid aan, vrezend dat de Bijenkoning een homoseksuele pedofiel is. Maar dan blijkt dat de Bijenkoning door iets totaal anders wordt gedreven.
Stadsmens Jackson heeft een magistraal oog voor de absurditeit van het leven in een kleine plattelandsgemeenschap, waarin elk probleem met ontstellende nuchterheid het hoofd wordt geboden. Voor het schrijven van dit boek logeerde Jackson enige tijd bij een echtpaar dat voor hem de rol van 'plattelandsdeskundigen' vervulde, en wiens huis het hoofdkwartier voor zijn research vormde. Het resulteerde in een met vaart geschreven roman, waarin een groep bekrompen dorpsbewoners als lompe maar tegelijkertijd ook innemende excentriekelingen wordt afgeschilderd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.