*

 

Het zuurdesem van Amerika's optimisme

Peter Sierksma − 29/09/01, 00:00

De laatste vier foto's van de gisteren in het Van Gogh museum geopende expositie 'The photograph and the American dream 1840-1940' laten New York zien op een manier zoals we de stad nooit meer zullen zien.

Eerst is er een vriendelijke foto van Berenice Abbott uit 1936. Vanaf een bark, liggend in de haven ter hoogte van Pier 11, zie je de nog jonge skyline van Manhattan. Dan is er een tweede, vanuit de lucht genomen. De foto is in 1930 gemaakt door Margaret Bourke-White en laat zien hoe een vliegtuigje in de lucht een cirkel van rook rond Manhattan trekt. Een idyllisch beeld dat de indruk geeft dat de nieuwe grootstad een beschermde status heeft. Alsof God Amerika van bovenaf zijn zegen geeft, zoals hij ooit in de woestijn in de vorm van een wolk het volk van Mozes bescherming bood.

Hoe anders kijk je er nu naar. Volgt een minstens zo schokkend beeld van het topje van het Woolworth-gebouw (Fairchild Aerials, ca. 1930) dat boven de wolken uitsteekt. De foto werd twee weken geleden in deze krant afgedrukt op de cover van Letter & Geest bij een artikel van Robert D. Kaplan onder de kop 'De terugkeer van de geschiedenis'. Vooral de eerste zin komt weer boven bij het zien van de expositie: 'Het tijdperk van de illusie die bij president Wilson begonnen is, is voorbij'.

Was 'De foto en de Amerikaanse droom 1840-1940' door een Europeaan samengesteld, dan was dit waarschijnlijk de laatste foto geweest. Het zou een symbool geworden zijn van het einde, uiting van een diepgeworteld cultuurpessimisme zoals wij, Europeanen, daar al eeuwenlang last van hebben, van Oswald Spengler tot Johan Huizinga en recent nog Herman von der Dunk die in zijn analyse van de twintigste eeuw 'De verdwijnende hemel' dat pessimisme zo verwoordt: ,,Wat zijn de gevolgen voor een samenleving die in de tornado van de vernieuwingen steeds meer genoodzaakt is om in een nieuwe computertaal van codes en formules te denken? Daar ligt een geheel nieuw soort totalitarisme op de loer, een sturing van het denken die gehuld gaat in een schapenvacht van de democratie en die voornamelijk in dienst staat van materiële groei, winst en technische innovatie als voorspiegeling van algemeen geluk.''

Maar het verrassende en ontwapenende van de tentoonstelling is dat zij juist niet gemaakt is door een Europeaan, maar door een Amerikaan die zelf ook gelooft in de droom die zijn thema voedt. En dus eindigt verzamelaar Stephen White zijn kwartet van Manhattan met een hoopvol beeld: een foto van John Albok, die in de crisisjaren vanaf de bovenste verdieping van het Chrysler-gebouw Wall Street en het zuidelijk deel van Manhattan fotografeerde zoals hij werkelijkheid en toekomst zag; somber, vol donkere wolken, maar 's ochtends en niet zonder dat de zon doorbreekt.

White: ,,Niet-Amerikanen denken wel eens dat de Amerikaanse droom aan de barre werkelijkheid voorbijgaat, maar dat is niet zo. Juist omdat al die immigranten uit al die verschillende landen op weg naar Amerika ooit, recent of langer geleden, hebben ondervonden wat ellende is, begrijpen ze hoe belangrijk het is te geloven in het idee 'dat alles toch ergens goed voor is'. Is het niet voor hen, dan toch voor het gezin of een generatie later. De Amerikaanse droom is vooral een mentaliteit. Het gaat echt over iedereen die op de een of andere manier een droom heeft voor zichzelf of voor de familie of de gemeenschap of de wereld. De invulling van die droom is heel breed. Bill Clinton benadrukt in het voorwoord van de catalogus het element van hoop, dat iedereen ooit deelgenoot zal worden van een wereld die meer biedt dan de struggle for life alleen. Ik ben dat met hem eens en denk dus echt dat de droom meer een geesteshouding is dan een onderwerp dat alleen voorbehouden is aan Amerika.''

Om misverstanden te voorkomen. Na 11 september heeft White niets aan de inrichting van zijn collectie veranderd en in die zin is dat laatste kwartet foto's toeval. Wel heeft de verzamelaar in overleg met museumdirecteur John Leighton overwogen de tentoonstelling uit te stellen. Maar omdat de opening niet in de week van de aanslag viel en de droom juist nu heel veel zegt over de Amerikaanse samenleving, is dat niet gebeurd.

Wie denkt dat de Amerikaanse droom aan flarden ligt, heeft de lading van die boodschap niet begrepen. White: ,,Ik beschouw mijzelf niet bepaald als een patriot. Maar hoe sterk die droom is, hebben mijn vrouw (een Deense) en ik gezien op de vrijdag na de ramp. Op internet verscheen een oproep om 's avonds om zeven uur met een kaars je huis uit te gaan, simpel. Dus mijn vrouw en ik gingen naar de stad, het centrum van Los Angeles, en daar stonden al honderden mensen, stil, samen. Het was niet alleen indrukwekkend maar ook interessant. Er stonden Russen, zwarten, Aziatische mensen, Arabieren; allemaal mensen met totaal verschillende achtergronden, ieder stond daar met zijn eigen geschiedenis. Het gaf een schok: jaren vecht je tegen ongerechtigheid, knok je soms onder erbarmelijke omstandigheden en weet je niet wat het ooit zal opleveren. En dan opeens zie je mensen die echt samenkomen en zeggen 'Wie en wat we ook zijn, we zijn Amerikanen en hebben allemaal deel aan dit land.' Het ontroerde me en bevestigde me in de gedachte dat de Amerikaanse droom niet alleen een mythe is, maar echt betekenis heeft. Het begrijpt ons te helpen dat mensen individuen zijn maar toch samen een ideaal hebben. Dat komt op zo'n moment aan de oppervlakte en dat houdt me bezig.''

Stephen White (1938) werd geboren in Jacksonville (N.C.) en groeide op in Los Angeles, waar hij ook filmkunde en fotografie studeerde. Later reisde hij veel door Europa, waar hij zijn vrouw ook ontmoette, en keerde daarna terug naar Seattle, waar hij voor de televisie werkte. Vanaf 1975 begon hij met het verzamelen van foto's. Hij zette een eigen galerie op en richtte zich vooral op de grote fotografen, variërend van Ansel Adams tot Edward Weston. Toen er vanuit Japan belangstelling kwam, verkocht hij in 1990 echter zijn complete verzameling en begon opnieuw. Rondstruinend in New York werd hij getroffen door een daguerreotype van de in zijn tijd beroemde fotograaf Jeremiah Gurney. Het is een portret van een gezin uit 1855. De trotse Elisha Cleveland poseert met zijn vrouw en vijf kinderen. White: ,,Die foto kwam mij voor als een van vroegste belichamingen van de Amerikaanse droom. De man heeft na hard werken zijn droom bereikt. En dat moet vereeuwigd worden. Zoals vroeger rijke families poseerden voor een schilder, poseren nu gewone Amerikaanse families voor de camera. Het is het loon van hard werken, maar ook dat van de democratie. De fotografie maakt de geschiedenis toegankelijk voor de massa. Het portret zegt iets over een van die fundamenten van de droom, de gedachte dat sinds president Lincoln iedereen gelijk is en dat dat grote Amerika iedereen de kans geeft zijn bestemming te vinden.''

De foto van Gurney werd het uitgangspunt voor een collectie van meer dan tweeduizend foto's, waarvan er nu tweehonderd te zien zijn in Amsterdam. Zoals een archeoloog een verhaal reconstrueert uit losse botten en steenresten, zo heeft White zijn Amerika tussen 1840 en 1940 opgebouwd via allerlei verschillende typen foto's. Familiekiekjes worden afgewisseld door foto's van grootheden als Edward Muybridge met zijn panorama's van stedelijke plattegronden en zijn series, die de beweging van de mens analyseren. En door die losse puzzelstukjes zie je hoe een grenzeloos en leeg land langzamerhand wordt opgevuld. Na de portretten zie je hoe de immigranten langzaam opschuiven naar het westen, hoe de Indiaan moet plaatsmaken, hoe belangrijk het vee voor die cowboys was, hoe de infrastructuur (de bouw van spoorlijnen en bruggen) gestalte geeft aan de droom, ja hoe er langzamerhand een stad verschijnt en niet te vergeten: hoe het geloof in dat Amerikaanse vrijheidsideaal door wilskracht en ondernemingszin in blinkende materie wordt omgezet. De stoom van de vooruitgang spat er dan vaak ook vanaf in de gezichten op stations en fabrieken. En ook de trots waarmee producten als auto's, vliegtuigen, locomotieven en de nodige smeerolie van het merk 'Puritan' worden aangeprezen aan het begin van de twintigste eeuw is onbegrensd en glimmend.

Zoals gezegd, de prijs die Amerika betaalt voor zijn grenzeloze optimisme en de dadendrang die daarbij hoort, is bij vlagen groot. White ontkent de schaduw van de droom dan ook niet. Naast de triomf laat hij ook de tragiek van de vrijheid zien. Naast de honden slee van een trotse goudzoeker in Alaska is daar ook een portret van arme kinderen in Nome van de gebroeders Lomen (1905). Naast de hemelbestormende wolkenkrabbers van Manhattan zie je ook de gevolgen van een gasexplosie in Boston en behalve de stoere Charles Lindbergh die voor zijn Spirit of St. Louis exposeert, is daar ook de uitzichtloze blik van Hartman Richter (1865) die gearresteerd werd omdat hij een medeplichtige neef was van de bedenker van de moord op Lincoln, George Atzerodt. En ten slotte ontbreekt naast twee curieuze foto's die de emancipatie van de vrouw moeten verbeelden het door Lewis Hine in 1909 gefotografeerde vermoeide meisje uit een katoenfabriek in Georgia niet. White draait het echter liever om. Wijzend op de twee geëmancipeerde jonge vrouwen, zegt hij: ,,Je moet het anders zien. Kijk nou eens goed naar die twee frisse en goed in hun vel zittende vrouwen: de eerste duikt in 1889 al -mind you!- met haar kleren aan van een boot bij Coney Island het water in en de ander poseert stralend voor haar huis in Californië, in kleur, 1935. Dat is toch prachtig! Zij zijn het resultaat van wat het eerste meisje begonnen is.''

'Er trekt door de Amerikaanse maatschappij een zuurdesem van onverbeterlijk optimisme, de hele geschiedenis is er vol van', schreef de historicus en dichter J.W. Schulte Nordholt ooit. Het is een geesteshouding waar je als Europeaan wel eens, ja zelfs in tijden van crises, jaloers op kunt worden.

mailIcon print |