*

 

Wat er niet begint en eindigt in de Ovale Kamer!

JOHAN TEN HOVE − 20/04/02, 00:00

recensie Alleen in het voorwoord van deze Engelse editie kon de Amerikaanse bestseller-journalist, David Halberstam, nog enkele gedachten kwijt over 11 september: ,,Het is niet zo dat het Amerika aan wapens ontbreekt, wel dat er voor de wapens waar wij specialisten in zijn, geen doelen zijn. En waar wij goed in zijn, daar zijn zij (de terroristen) niet kwetsbaar voor. En waar zij goed in zijn, daar zijn wij als open samenleving uiterst kwetsbaar voor.'' Het blijft voorlopig waar, ook na Afghanistan.

Halverstam voorspelt Bush en de zijnen moeilijke tijden. ,,Amerika wordt geleid door een jongeman die tot president is gekozen juist omdat hij niet geïnteresseerd was in de rest van de wereld. Nu moet die jonge man, omgeven door mensen die ouder zijn dan hij en die nog in dienst waren van zijn vader in een andere tijd, leren president in oorlogstijd te worden.''

'War in a Time of Peace' bestrijkt het laatste decennium van de twintigste eeuw, en dan vooral de brandhaarden waar de VS in die jaren mee te maken kregen: de Golfoorlog, Bosnië, Haïti, Rwanda, Somalië en Kosovo. Het begint met de Golfoorlog, glansrijk gewonnen door George H.W.Bush. Velen, in ieder geval zijn zoon George W.Bush, zijn er in 1991 heilig van overtuigd is dat hij beloond zal worden met een nieuwe ambtstermijn. ,,Denk je nu echt dat het Amerikaanse volk nú nog een Democraat gaat kiezen?'', citeert Halberstam de jonge Bush, samen met pa in Air Force One onderweg naar het vakantieverblijf van de familie in Maine. Pa heeft de oorlog gewonnen, de Sovjet-Unie valt uiteen, natuurlijk wil het Amerikaanse volk een ervaren leider!

Het pakt anders uit. De tamelijk onbekende Democratische William Jefferson Clinton, gouverneur in het onbeduidende Arkansas, wint in 1992 de verkiezingen. Hoe kon dat? Halberstam beschrijft het prachtig, maar komt in de analyse niet veel verder dan dat Bush een belabberde campagne voerde. Bush, schrijft hij, was een effectieve wereldleider, maar veel te weinig gericht op Amerika's binnenlandse problemen, vooral de economische. De zeer intelligente, leergierige, en uiterst bedreven campagnevoerende Clinton maakte daar gebruik van.

De Joegoslavië-crisis begint nog onder Bush sr. In 1990 -Joegoslavië kan ieder ogenblik ontploffen- komen een aantal Joegoslavische politici, die hun verzet tegen het Servische nationalisme van Milosevic delen, bij elkaar in de residentie van de Amerikaanse ambassadeur Zimmerman in Belgrado. Speciaal afgezant Larry Eagleburger zit erbij. De Sloveen Peter Jambrek vraagt hem wat de Amerikanen zouden doen als Slovenië zich van Joegoslavië zou afscheiden. Eagleburger zit niet op die vraag te wachten. Hij zegt uiteindelijk dat de VS hopen dat Slovenië bij de federatie blijft, maar niets zullen ondernemen als het anders loopt. Dat nieuws gaat meteen als een lopend vuurtje rond in politiek Ljubljana,de Sloveense leiders trekken hun conclusies, de tragedie kan beginnen.

Amerika blijft aan de zijlijn en dat heeft te maken met het Vietnam-trauma, maar ook met de inspanningen die de regering-Bush zich heeft getroost om de coalitie voor de Golfoorlog bij elkaar te brengen en met groeiende bezorgdheid over de ontwikkelingen in wijlen de Sovjet-Unie. En trouwens, de Europeanen regelen de Balkan wel, niet? Dat willen ze toch graag? ,,De eeuw van Europa is gekomen'', riep de Luxemburger Poos, EU-commissievoorzitter in 1990 nog uit.

Het resultaat is nogal tragisch, zoals de schrijver zegt, 'diplomatieke hoop, niet gesteund door militaire kracht'. En dat werkt niet bij een man als Milosevic. Zoals de VN en Unprofor tot hun schande zouden merken. Halberstam beschrijft de onmacht van 'Europa' en de VN in voormalig Joegoslavië en de onwil in het Washington van Bush sr. om zelfs maar te geloven dat daar vreselijke dingen gaande zijn.

Eind december 1992 -Bush' eerste (en laatste) termijn zit er bijna op- komt een groep Centraal-Europese ministers van buitenlandse zaken bij Bush op bezoek en zij vragen wanhopig om interventie. Bush antwoordt niet echt en de Sloveense minister zegt bij het verlaten van het Witte Huis: ,,We horen heel veel over het nieuwe Europa, maar de waarheid is dat de politieke wil van de vrije wereld begint en eindigt in de Ovale Kamer''.

En dan komt Bill Clinton, de man die zich vooral op binnenlands terrein wil waarmaken en zich zo weinig mogelijk met de rest van de wereld bemoeien. Maar de rest van de wereld wel met hem. Dat kan ook niet anders, met de enig overgebleven grote mogendheid. Het is onthutsend te lezen hoe weinig zicht de club van Clinton daar in het begin op heeft, en hoe ad hoc hun antwoorden. Hier komt Halberstams kracht -zijn enorme, gedetailleerde kennis van 'het gedoe' in de hogere regionen van Washington- tot volle ontplooiing. In korte, scherpe levensbeschrijvingen leren we de vele spelers kennen, en sommigen, vooral onder de 'Clinton-mensen' van het eerste uur, sabelt hij vakkundig neer.

'Joegoslavië' is nog bezig door te dringen in Washington, als Rwanda, Burundi, Somalië en Haïti zich al opdringen. Somalië, waar de Amerikanen volgens de schrijver heengaan (in 1992, dus nog onder Bush) om Bosnië maar niet in te hoeven, gaat het mis in 1993, onder Clinton. En dus laat Amerika Rwanda in 1994 op zijn beloop. Europa doet dat trouwens ook. Bijna vijf jaar later vliegt Clinton naar Rwanda om zich alsnog te verontschuldigen. Volgens Halberstam vormt 'Srebrenica' (hij is uiterst mild over Dutchbat en 'die arme drommel Karremans') de ommekeer in het denken van Clinton, die eindelijk een beleid aangaande voormalig Joegoslavië eist en ruimte maakt voor het gebruik van militair (luchtmacht)geweld, omdat ,,Amerika niet langer met zich kan laten sollen''.

Wat Clinton bedoelt is dat híj niet langer met zich wil laten sollen. Amerikaanse presidenten -en Clinton volgens Halberstam nog het allermeest- toetsen vrijwel alles wat er in de wereld gebeurt, aan de vraag het positieve of negatieve effect op de eigen (her)verkiezing. Al lezend ga je Clinton steeds minder sympathiek vinden, een woord dat ook niet hóórt te passen, misschien, bij de gedragingen van een grote mogendheid.

Het algemene gebrek aan buitenlands beleid van de regering-Clinton wordt nog vergroot door de stommiteit van Clinton zelf, die begin 1998 zijn handen vol begint te krijgen aan de Monica Lewinsky-affaire, die veel energie van Kosovo wegsluist. Alleen het laatste jaar van Clinton staat in het teken van de buitenlandse politiek, mogelijk omdat dat voor hem de enige manier is om met goede cijfers 'de geschiedenis' in te gaan. Met het overleg tussen de Israëlische premier Ehoed Barak en de Palestijnse leider Jasser Arafat in de zomer van 2000 in Camp David bemoeit Clinton zich nadrukkelijk zelf. Maar juist dát mislukt.

mailIcon print |