*

 

Exploderende fabelwezens

Cees Straus − 29/11/02, 00:00

Tien jaar geleden stierf op 67-jarige leeftijd Cobra-schilder Theo Wolvecamp in een Amsterdams ziekenhuis. Gebrek aan belangstelling van museale zijde moet er de oorzaak van zijn geweest dat Wolvecamp in de afgelopen jaren nooit op een waardige wijze werd herdacht. En dat in weerwil van het feit dat het onderzoek naar zijn werk onverdroten doorging. De eerste terugblik in het Cobra Museum in Amstelveen sinds zijn dood brengt tal van 'nieuwe', want nog niet eerder in het openbaar gebrachte schilderijen aan het daglicht.

Tot een drastisch gewijzigde visie op het werk van deze in stilte voortploeterende schilder leidt het niet. Wel bieden de Amstelveense presentatie en het recent verschenen boek de mogelijkheid om het werk in zijn juiste verhoudingen te bekijken.

Tijdens zijn leven was Wolvecamp (1925-1992) de minst bekende van de CoBrA-groep. De roemruchte schildersbende die eind jaren veertig, begin jaren vijftig in COpenhagen-BRussel-Amsterdam actief was, bracht even roemruchte namen voort als Constant, Asger Jorn, Karel Appel en Corneille. Ook Theo Wolvecamp hoorde in dit rijtje.

Anders dan zijn collega's die al in de jaren vijftig na de opheffing van de beweging hun eigen weg zochten, bleef Wolvecamp het voornaamste uitgangspunt van Cobra trouw. Voor hem stond het welhaast 'automatische' handschrift centraal. Wolvecamp, die aanvankelijk sterk onder invloed van de Spaanse abstract-surrealist en expressionist Joan Miró stond, bedacht geen voorstelling, maar kwam al schilderend tot een compositie van bewust vaag omschreven ideeën. Kleur, vervat in lijnen, krassen en vlekken, speelde daarbij een grote rol. Het leidde tot voorstellingen zonder verhaal, ontstaan uit spontane invallen.

Wolvecamp hechtte veel waarde aan de vrije associatie. In de meeste schilderijen heeft dat een vreemde consequentie: hoe gecompliceerd ze ook zijn, ze hebben nooit een duidelijke kijkrichting. Wolvecamp schilderde het doek zo vol mogelijk, de verfmassa is tot aan de uiterste randen opgestuwd. Op een wonderlijke fabelwereld geïnspireerde figuren tuimelen over elkaar heen. Ze streven niet naar evenwicht of harmonie, maar zoeken vanuit een explosie naar de verste uithoeken van hun droomachtige bestaan. Het gebrek aan kijkrichting werkt ontregelend, maar doordat de schilder zo'n sterk beroep doet op het associërend vermogen van de kijker, is er alle gelegenheid om het kijk-avontuur aan te gaan. Wel is Wolvecamp een zeker gevoel voor monomanie toe te schrijven. Als hij eenmaal een eigen stijl heeft te pakken, overheerst een stereotiepe dreun die in al het (latere) werk doorklinkt.

Zoals gezegd heeft het onderzoek naar Wolvecamps werk in de afgelopen tien jaar niet stilgelegen. Kunsthistoricus Adri Colpaart komt tot de slotsom dat in plaats van de door Wolvecamp zelf genoemde 300 schilderijen en gouaches, er 450 werkenmoeten zijn. De schilder blijkt nogal wat oorspronkelijk werk vernietigd te hebben, in die zin dat hij schilderijen na verloop van tijd afkrabde, overschilderde, of anderszins voor nieuwe voorstellingen gebruikte. Bovendien verkocht hij vaak recht streeks vanuit zijn atelier aan particuliere collectionneurs. Het Cobra-museum exposeert dit onbekende werk, dat de opvatting dat Wolvecamp een ongemeen krachtige colorist is, onverlet laat. Het schildersplezier spat er zogezegd van af.

mailIcon print |