recensie ,,Ik ben Belgradoër'', zegt de architectuurstudent Ramiz, die samen met zijn Kosovaars-Albanese ouders al enige jaren in de Servische hoofdstad woont. In Belgrado voelt Ramiz zich vrij en op zijn gemak, maar als hij met zijn ouders een weekje in Kosovo op bezoek is stoort hij zich aan de primitiviteit en aan het clan-denken van zijn grootvader en andere familileden. De conflicten tussen het Albanese en Servische bevolkingsdeel interesseren hem nauwelijks, het streven naar een Groot-Albanië laat hem onberoerd. Hoe Ramiz uiteindelijk toch terechtkomt in het Kosovo-bevrijdingsleger UÇK, en bereid is om te sneuvelen voor een vrij Kosovo, vormt een van de verhaallijnen in Borislav Cicovacki's tweede bundel 'Zwarte merel in een veld met pioenen'.
Twee jaar geleden debuteerde Cicovacki (in 1966 geboren in Sombor, vlakbij de Hongaarse grens), veelbelovend met 'In oude tijden heette dit land Haemus', waarin merendeels jonge en idealistische mensen optreden die gebukt gaan onder de recente conflicten op de Balkan. Sommigen van hen zijn uitgeweken naar het buitenland en wonen bijvoorbeeld in Amsterdam. Op goede gronden zou men zijn nieuwste boek een vervolg op zijn eersteling kunnen noemen; thematiek en personages zijn identiek gebleven, alleen verplaatst Cicovacki de handeling nu gedeeltelijk van de noordelijke Balkan naar Kosovo. Het verhaal over Ramiz, verteld in vijf episoden die de helft van de bundel beslaan, wordt telkens onderbroken door de lotgevallen van willekeurige burgers of ex-burgers van het voormalige Joegoslavië.
Het boek begint met Ramiz' uitstapje naar Kosovo, waar hij zich te midden van veldplees, schapenvet en gedroogde tabaksbladeren nogal ongemakkelijk voelt. Zijn sterk nationalistisch en anti-Servisch ingestelde familieleden - woorden als 'bloedbroeders', 'eer' en 'wraak' liggen hen in de mond bestorven- verwijten hem dat hij van zijn milieu is vervreemd, zelfs verraad heeft gepleegd. Geen wonder dat Ramiz opgelucht ademhaalt als hij Kosovo weer de rug kan toekeren. In een later hoofdstuk, dat in het midden van de jaren negentig speelt, treffen we hem in een heel andere gedaante in Belgrado aan: op een studentenfeest waar hij drinkt en blowt, over moderne films discussieert en ook de liefde van zowel een vriendin als van een pianospelende vriend niet lijkt te versmaden. Als Ramiz met zijn vriend de zomervakantie aan de Montenegrijnse kust doorbrengt, wordt hij overvallen en per auto naar Kosovo ontvoerd, een actie waar zijn grootvader en ouders de hand in blijken te hebben. Uiteindelijk wordt hij gedwongen om binnen het UÇK mee te vechten in de strijd tegen de Serviërs.
Het is een spectaculair maar zeker niet onrealistisch slot; uit oorlogsberichten weten we dat ontvoeringen van Kosovaren door landgenoten alsook gedwongen deelname aan krijgshandelingen zeker niet ongebruikelijk zijn geweest. Cicovacki lijkt met zijn relaas over Ramiz een exemplarisch verhaal te hebben verteld. In literair opzicht valt er overigens wel het een en ander op aan te merken. Na de sterke openingsscène, met schitterende couleur locale, volgen enkele mindere fragmenten en vooral de indentiteitscrisis waarin Ramiz verkeert, geïllustreerd onder meer door zijn seksuele ambivalentie, komt onvoldoende uit de verf. De hoofdpersoon blijft ietwat schimmig, psychologische diepgang lijkt Cicovacki niet na te streven. Ook zijn stijl is niet altijd evenwichtig. Sterke lyrische gedeelten met soms schitterende, aan de muziek ontleende metaforen (,,mijn hart bonkte als een tapan uit Rugovo'') worden afgewisseld met troebele passages en mooischrijverij. Over een verliefde man luidt het ergens: ,,Hij wierp de zaden van zijn glimlach in de vochtige broeikas van de vrouwelijke valkuilen''.
Borislav Cicovacki is een ambitieuze schrijver. Dat bewijzen niet alleen de talrijke verwijzingen naar film, muziek en literatuur (Ivo Andric, Danilo Kis, Kavafis etcetera), maar ook de verschillende genres en schrijfstijlen die hij beoefent. Realistische passages worden afgewisseld met prozagedichten, dagboekfragmenten, beschouwende delen en zelfs een heus toneelstuk.
De beschouwende delen hebben overigens een duidelijke functie want ze verhelderen veel van de verhalende episoden. In het verhaal 'Een hele waslijst', dat over een naar Canada geëmigreerde Serviër gaat, komt bijvoorbeeld een historicus aan het woord die allerlei feiten en wetenswaardigheden over de geschiedenis en de mentaliteit op de Balkan ten beste geeft -waarbij hij uiteraard teruggaat tot de slag op het Merelveld in 1839, toen de Serviërs een historische nederlaag leden tegen de Turken. Ergens merkt deze historicus op: ,,Ik heb me altijd afgevraagd wat dat is bij ons volk, dat het leger zoveel voor ons betekent. Waarschijnlijk is het antwoord te vinden in de deformatie van de Serviërs, die ongetwijfeld is ontstaan als gevolg van de onophoudelijke oorlogen. Een zoon kunnen leveren aan het leger betekent je steentje bijdragen aan de verdediging van het vaderland. En dat is voor een Servisch gezin de grootste eer en het hoogst bereikbare.'' Pas als je dit fragment gelezen hebt, begrijp je de volledige achtergrond van het verhaal over Ramiz -want wat voor de Serviërs geldt, geldt eveneens voor de Albanezen.
Er staan nog meer wetenswaardigheden in dit verhaal, dat misschien enigzins kunstmatig is opgebouwd. Bijvoorbeeld over de blinde verafgoding van de leiders op de Balkan, of over Kosovo ten tijde van Tito (die veel concessies deed, ook aan uit het streng stalinistische moederland gevluchte Albanezen), en over de eeuwige conflicten tussen de orthodoxe, katholieke en de moslimbevolking. Over de tegenstellingen tussen de traditioneel op Midden-Europa georiënteerde Slovenen en Kroaten en de eeuwenlang door Turkije overheerste andere bevolkingsdelen luidt het ergens: ,,Onze volkeren zijn simpelweg te lang vastgehouden in twee in alles tegengestelde onderling vijandig gestemde kolonialistische grootmachten, Oostenrijk-Hongarije en Turkije. (...) Kunt u zich een groter verschil voorstellen? Europa en Azië. Mozart en de zurla. Pruiken en percins.'' (Een zurla is een primitief soort hobo, een percin een haarstreng op een kaalgeschoren hoofd.)
Hoe informatief en leerzaam deze fragmenten ook zijn, overtuigender in literair opzicht vind ik de delen waarin je terloops veel opsteekt over het leven op de Balkan. Dat geldt bijvoorbeeld voor het sublieme lange verhaal 'De wegen verlangen naar de Turken', waarin Cicovacki door de ogen van een Servisch tienermeisje in Kosovo verslag doet van de woelige periode tussen 1997 en 1999. Oorspronkelijk woonde de gymnasiaste in het Oost-Kroatische Osijek, maar toen de Kroaten het gebied rondom deze stad begonnen te zuiveren van de Serviërs is ze met haar familie gevlucht en via allerlei omzwervingen door Servië uiteindelijk in Kosovo beland.
Aldaar beschouwt iedereen het meisje en haar gezinsleden als vreemdelingen, de Serviërs niet minder dan de Albanezen. Haar ouders en later ook zijzelf worden tot vernederend werk (of nog erger) gedwongen. Het dagelijkse leven in de stad Prizren tussen de 'dronken Servische patriotten en stiekeme Albanese wrekers', de angsten en ontberingen, maar ook kleine geluksmomenten op school, zoals een prille liefde, worden hier uitstekend voelbaar gemaakt. Dit tere verhaal, het sterkste uit de bundel, laat nog een andere kwaliteit van deze schrijver zien, die al eerder opviel: Borislav Cicovacki beschikt over een verbluffend inlevingsvermogen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.