recensie Als een psychiater of psycholoog een misdadiger 'ontoerekeningsvatbaar' verklaart, is dat bijna altijd het laatste woord. De rechter aanvaardt het psychiatrische oordeel als bindend. Geheel ten onrechte, schrijft Willem Derks, na zelf jarenlang gewerkt te hebben als psycholoog in strafzaken. De forensische gedragskundige doet zich aan de verdachte en rechter voor als een alwetende magiër, maar hij is een natte vinger-werker in optima forma, vindt Derks. Zijn boek 'Het oordeel van Hippias' wordt hieronder besproken door prof.dr.H.J.C.van Marle, hoogleraar forensische psychiatrie in Nijmegen, adviseur van Justitie, oud geneesheer-directeur van de Mesdagkliniek te Groningen en oud geneesheer-directeur van het Pieter Baan Centrum.
Zo'n vijfduizend psychiatrische en psychologische rapporten verschijnen er ieder jaar in Nederland over verdachten. Het advies van de gedragsdeskundigen is voor alle partijen bij de rechtzitting van groot belang: of de verdachte gedwongen ter beschikking wordt gesteld of blootsteld aan een andere vorm van behandeling onder toezicht van de Reclassering, hangt van dát rapport af. Het is allemaal bedoeld om herhaling van het delict te voorkomen.
De deskundigen onderzoeken degene over wie een rapport moet worden uitgebracht met behulp van één of meer gesprekken en in een aantal gevallen met psychologische testen. De gesprekken moeten aan een aantal voorwaarden voldoen. De onderzochte moet bijvoorbeeld weten dat het onderzoek niet primair op behandeling maar op rapportage aan de rechtbank gericht is. Van de onderzoeker wordt verwacht dat hij zich zo neutraal mogelijk opstelt en de onderzochte zo min mogelijk beïnvloedt.
De onderzochte moet zich vrij voelen zijn verhaal te vertellen. Maar het doel van het onderzoek blijft het vaststellen van een mogelijke psychische stoornis tijdens een ten laste gelegde misdaad. Daartoe wordt het verhaal van de verdachte in de eerste plaats bekeken op symptomen van een psychische ziekte. Daar wordt de verdachte uitvoerig over ondervraagd. Wat de gedragsdeskundige doet is het interpreteren van individuele eigenschappen binnen een psychiatrisch/psychologisch model voor diagnoses.
Wie controleert de deskundigen? Het onderzoeksgesprek wordt immers gehouden tussen twee personen, elk met zijn eigen belangen, achtergronden en contactuele vaardigheden. Of er een goed contact tot stand komt, bepaalt mede het verloop van het gesprek en dus de rapportage. In de forensische psychiatrie bestaat niet één expliciet diagnostisch model. De interpretatie verschilt van deskundige tot deskundige, afhankelijk van zijn verklaringsmodel.
Door verschillende deskundigen in te schakelen en in de loop van het proces herhaald gedragskundig onderzoek te doen, wordt geprobeerd mogelijke eenzijdigheid te compenseren. Maar dit kan op buitenstaanders de indruk wekken van een samenzwering van deskundigen die proberen het vak ontoegankelijk te maken voor controle van buitenaf door elkaar na te praten. De onderzochte beleeft deze geslotenheid van het gedragskundig systeem eens te meer als een machtsmiddel waaraan hij onderworpen is.
Macht en machtsmisbruik van de deskundigen is het centrale thema van het boek 'Het oordeel van Hippias' door Willem Derks, ook zelf jarenlang werkzaam binnen de forensische psychiatrie als psycholoog en criminoloog. De Hippias (van Elis) uit de titel was een wijsgeer uit de tijd van Socrates. Deze Hippias ging uit van het standpunt dat een sofist alles moet weten en alles moet kunnen, en hij had een methode bedacht om het geheugen te ontwikkelen. Derks introduceert hem als een megalomaan, met wie de huidige gedragsdeskundige veel gelijkenis zou vertonen. En daarmee is de toon van dit boek gezet: de forensische gedragsdeskundige deugt niet.
Derks neemt krachtig stelling tegen de idee dat gedrag, inclusief crimineel gedrag, wetenschappelijk verklaarbaar is. Een belangrijke, ook maatschappelijk relevante gedachte, die vervolgens telkens aan de hand van voorbeelden wordt herhaald, maar helaas nergens wetenschappelijk wordt onderbouwd. Nadrukkelijk stelt Derks dat dit boek een verslag is van eigen ervaringen, aangevuld met verhalen van anderen. Door voor die manier van redeneren te kiezen, bestrijdt hij de forensische psychiatrie met de middelen die hij de forensische psychiatrie juist verwijt: hele en halve feiten, geen methode maar een willekeurige keuze uit het voorhanden zijnde materiaal, meer woordenvloed dan onderzoek.
Derks heeft gelijk wanneer hij vraagtekens zet bij een deskundigheid die niet te toetsen is dan alleen door dezelfde groep deskundigen. Natuurlijk kunnen niet alle uitingen van een mens verklaard worden, het diagnostisch model van waaruit het onderzoek wordt gedaan, is bepalend voor wat er wordt gevonden. Het is daarom van groot belang dat de deskundige de grenzen van zijn modellen, en dus van zijn deskundigheid, kent.
Derks fulmineert tegen het determinisme: de deskundige weet achteraf haarfijn uit te leggen waarom de dader het misdrijf heeft gepleegd, waarom hij het eigenlijk wel móest plegen, of - in het geval van een ontkenning: - waarom hij het gedaan zou kúnnen hebben. Het delict wordt met terugwerkende kracht voorspeld, klaagt Derks. Blijkbaar is dit wat hij zelf heeft meegemaakt. Maar aan de vraag hoe het anders moet, komt hij niet toe. Een gemiste kans voor deze ervaren, inmiddels gepensioneerde, forensische gedragsdeskundige.
Derks gaat voorbij aan de ontwikkelingen in de afgelopen tien jaar, aan de verplichte intercollegiale toetsing bij rapportages, aan de standaardbeoordeling van risicofactoren, aan de psychiatrisch geteste behandelingsmethoden. Het boek verschijnt tien jaar te laat: het merendeel van de citaten komt uit de jaren voor 1990. Het gaat er niet om dat Derks' ervaringen niet 'waar' zouden zijn, maar ze zijn eenzijdig en lenen zich niet voor discussie.
De forensische psychiatrie is kwetsbaar, omdat elk geval uniek is, en omdat er nog zo weinig bekend is over de oorzaken van criminaliteit. Alleen de herhalingsdelicten zijn voor de buitenstaander zichtbaar. Die hebben inmiddels geleid tot een betere manier van voorspellen van misdadig gedrag. De forensische diagnostiek voor de rechtbank kan niet meer dan in dat ene geval achteraf bekijken of er sprake was van ziekteverschijnselen bij de dader tijdens het delict.
Een slechte jeugd (en dan nog: hoe slecht) is niet de oorzaak van een delict op latere leeftijd, maar kan er wel toe bijdragen. Erfelijke, aangeboren, biologische, psychologische en sociale spelen allemaal een rol, elkaar versterkend of tegenwerkend. Determinisme ('de gedoemde mens') en indeterminisme ('de wilsvrije mens') zijn negentiende-eeuwse filosofische en criminologische modellen die uitersten beschrijven. De gedragskunde zit er ergens tussen in. De twintigste eeuw is die van de multicausaliteit.
De auteur neemt het op voor het unieke en creatieve in de individuele mens en toont zich daarin belezen. Maar de gedragskundige heeft als maatstaf het gedrag van de gemiddeld normale mens. Hij 'meet' de afwijking van die norm bij daders. Het unieke in de mens wordt daarbij in een hokje geduwd, en daar verzet de auteur zich tegen. Hij schrijft dit boek daarom niet als een professional, niet als gedragskundige, maar als ervaringsdeskundige. Een beschouwing zou meer welkom zijn geweest, zodat het als studieboek kon worden gebruikt. Maar nu blijft het het oordeel van één mens.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.