recensie AMSTERDAM - Van het bombardement van beelden en geluiden dat een mens tijdens zijn leven op zich afgevuurd krijgt, blijven sommige heel helder in het geheugen aanwezig. Eén zo'n verankerd beeld, gekoppeld aan geluid, is dat van bariton Maarten Koningsberger, die in de jaren tachtig tijdens een masterclass van Elisabeth Schwarzkopf het lied 'O kühler Wald' van Brahms zong. Mét Schwarzkopf waren we verrast en verrukt en mét haar voorspelden we Koningsberger een grote toekomst.
Datzelfde 'O kühler Wald' stond dinsdagavond op het programma dat Koningsberger had samengesteld voor zijn recital in de kleine zaal van het Concertgebouw. In dat gebouw zong hij vele malen eerder, maar het was voor het eerst dat de Nederlander opgenomen was in de roemruchte Vocale Serie. Wie daar in zingt, behoort tot de 'meesterpianisten' onder de zangers, zou je kunnen zeggen. Dat gegeven had hem die dag wel behoorlijk parten gespeeld, qua zenuwen en zo. ,,Hoe kom je zo'n dag door?'', vroeg hij met terugwerkende kracht na afloop van het concert.
Toch opvallend, die zenuwen voor een ervaren zanger als Koningsberger, die al een paar keer in het Walhalla van de liedkunst stond: de Londense Wigmore Hall. Maar zingen in eigen land, en dan ook nog in 's lands meest gerenommeerde liedserie én met Neerlands prominentste liedbegeleider Rudolf Jansen -dat is bijzonder.
Al die jaren terug zong hij Brahms' lied met totale overgave, zich verliezend in de tekst van Clemens Brentano en de noten van Brahms. De stem is gerijpt, voller en lager geworden en ook interpretatief zijn er opvallende lagen bijgekomen. Er zijn er maar weinig die de 'Widerhall' in dit lied ook echt als een echo kunnen laten klinken en op de omslag in de tweede strofe klonk 'Im Herzen tief' als een uiterst pijnlijke levenservaring, waar je even bij stokt voordat je het verhaal verder vertelt.
En een verhalenverteller is Koningsberger eerst en vooral. De eerste vereiste voor een verhalenverteller is uiteraard dat je verstaanbaar bent en dat is Koningsbergers grootste kracht. Geen lettergreep verdwijnt in een onzorgvuldige dictie of in mooizingerij en in elke taal is de zingeving aan die verstaanbare teksten optimaal. In dit recital van verhalen waren we met hem op zee, op de heide, in de roeiboot, aan het strand en in dat koel-kille woud.
Een woud waarin ook het lied 'Soupir' van Henri Duparc zou kunnen klinken. Dit lied en dat van Brahms vormden de twee centra van het recital waaromheen als het ware de overige liederen van deze twee componisten en die van Franz Schubert, Roger Quilter en Noël Coward gegroepeerd waren.
De aanroep van de schipper in Schuberts 'Lied eines Schiffers an die Dioskuren' werd breed en met warm-vibrerende stem opgezet. In 'Fischerweise' verdween die kalmte weer voor een speelse omgang met tekst en noten met in de laatste strofe een heel gaaf spel met Schuberts vernuftige maatverschuivingen. Het natuurgeweld waarmee vervolgens de persoon in 'Der Schiffer' te maken kreeg, werd met bruisende onstuimigheid opgeklopt tot een perfect storm.
Na de zeer geconcentreerd gezongen liederen van Brahms en Duparc kwam een drietal Shakespeare-songs van Roger Quilter, waarvan 'O mistress mine' een andere kwaliteit van Koningsberger stem naar boven bracht: verleidelijkheid. De eerste zin 'O mistress mine, where are you roaming' komt aan het slot van het lied terug en daar legde de zanger zoveel gevoel en mening in dat de hunkering voelbaar werd.
De luchtigheid van de Coward-songs en de swing in de Dankworth-toegift (met knippende vingers!) pasten Koningsberger als een handschoen en ook daarin volgde en stuwde Rudolf Jansen hem met grootse klasse.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.