opinie HAARLEM - Daar zit ie dan: De Man van Niks. Op een stapeltje afgedankte pallets gans alleen op het toneel, zijn lege leven overziend. Een sloeber is hij niet, want hij draagt een zorgvuldig geknoopte en smaakvol in bordeauxrood gekozen stropdas. Een klagend hoopje misprijzen is De Man van Niks ook al niet, want hij houdt van dromen en rangschikt zijn observaties in poëtische toonzetting.
Hij heeft veel en onbegrensd nagedacht, deze Man van Niks. ,,Ik heb wel 'ns op de koeien gelet; omdat we het nu over wetenschap hebben... Die eten groen gras en die ademen blauwe lucht en zelf worden ze wit en zwart. Dat is toch van een wonderlijkheid die met geen verf te schilderen valt! (-) Zo'n grazende koe, als je daar goed naar kijkt, jongen... zoiets, dat bedenk je toch niet.''
De Vlaamse acteur, auteur en regisseur Peter de Graef schreef de monoloog 'Niks' en speelt die zelf onder mederegie van Arne Lievens. Zijn tengere verschijning en aangenaam hees klinkende stem rijmen wonderwel met de broosheid van zijn personage De Man van Niks. De Graef heeft geen molenwiekende armslagen, fluistering of juist stemverheffing nodig om zijn publiek anderhalf uur aaneen te boeien. Welbeschouwd doet hij heel weinig; hij zit, drentelt wat naar het achtertoneel en terug, laat zich kletsnat regenen en richt zich op het voortoneel maar weer eens pontificaal tot zijn toeschouwers alsof die bij hem thuis op de thee zijn.
Dat laatste zou je ook kunnen zeggen van zijn vertolking van Thomas Bernhards 'De wereldverbeteraar', die De Graef eerder onder regie van Dirk Tanghe bij de Utrechtse Paardenkathedraal deed. Ook dat was (ondanks een minieme bijrol van de dienstmeid) een monoloog die De Graef glansrijk in zijn vingers kreeg. Maar wel een zwart hermetische in beton gegoten monoloog, waarin Bernhard zijn met nazi-Oostenrijk sympathiserende 'wereldverbeteraar' tegen de wereld in het algemeen en de mens in het bijzonder oeverloos voort laat razen.
In tegenstelling tot Bernhards 'Wereldverbeteraar' is 'De Man van Niks' aimabel, deerniswekkend en op curieuze wijze zelfs vertrouwd. Heel wel zou je De Man van Niks als persoonlijke vriend kunnen hebben, al moet die weer niet te vaak bij je over de vloer komen. Maar als je hem eenmaal kent, ga je hem missen zodra je niets meer van hem verneemt. ,,Algemeen wordt aangenomen dat depressiviteit dient vermeden, maar... Waarom? Waarom moeten wij iets vermijden dat vanzelf komt? Zullen we de herfst dan ook maar afschaffen? En de winter? Zodat het altijd zomer is? Waarom moeten wij allemaal ons hele leven wankelend op een overmaatse surfplank staan gillen dat we ons amuseren? Waarom mogen wij niet gewoon ademen en That's it. Ik zit hier en ik adem. Is dat niet geweldig?''
Onder het mom van een vraag besluit 'De Man van Niks' zijn monoloog op apodictische toon: 'Zijn d'r nog vragen!' Misschien zit daar de schone paradox van De Graefs eenmansvoorstelling: nee. Na zoveel lichtmoedig gedragen tegenslag-op-tegenslag valt er even niets meer te vragen. En ja: nu we aan het ontheemdende levenspad van 'De Man van Niks' hebben mogen snuffelen, wil je wel degelijk meer weten. Niet nóg meer voortsukkelende rampspoed, maar voortgaande mijmering over de vraag hoe De Graefs personage en al die overige Mensen van Niks nou toch eens zelfs maar een póging tot greep op hun leven zouden kunnen krijgen. Van het leven, ja -hoe dat vindingrijk, behendig en als het even kan vooral zonder kleerscheuren aan te pakken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.