*

 

Commissie-Van Traa had in achttiende eeuw de handen vol gehad aan het Oranjehof

JAN DIRK SNEL − 09/02/96, 00:00

recensie Jeroen Salman e.a.: Censuur: voorschrift en praktijk. Themanummer van het jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, 2. Nederlandse Boekhistorische Vereniging, Leiden (0712-494835); 220 blz. lidmaatschap f45.

In de strijd tegen tegen ideologische tegenstanders bleek het stadhouderlijk hof rond 1760 infiltranten en informanten te financieren. Getuigen bij processen werden betaald. In de dubieuze Lucas Willem Kramp beschikte het Oranjehof zelfs over een eigen notaris in Amsterdam, die er niet voor terugdeinsde bewijsmateriaal te vervalsen. Jaren later werd hij wegens valsheid in geschrifte veroordeeld.

Jongenelen analyseert twee rechtzaken tegen lieden die in feite wegens hun anti-orangistische stellingname vervolgd werden, maar op bewijstechnische gronden (ten dele) wegens heretische uitgaven werden veroordeeld.

De kruidenier-schrijver Jacob Baroen was een deïst, die echter, toen hij op een zondagmorgen werd opgepakt, wel mooi in Ouderkerk aan de Amstel in de kerk zat. Zijn literaire carrière mocht hij zes jaar lang voortzetten in de Haagse Gevangenpoort.

De uitgever Gerrit Bom kwam weg met een boete van ¿ 300 (een arbeidersjaarsalaris), omdat hij de nagelaten werken van de reeds tachtig jaar dode Spinoza verkocht had. In Klevers 'Spinoza is groot' geloofde de overheid toen bepaald niet.

Vrijheid van drukpers heerste er zeker niet in de Republiek. Terecht waarschijnlijk bestrijdt Jongenelen het idee dat die vrijheid in de loop van de achttiende eeuw toenam, maar als hij onderstelt dat de repressie rond 1760 groeide, overdrijft hij, dunkt mij.

Wat dat betreft is Wim Heersink nuchterder. In hetzelfde censuurnummer van het jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis behandelt hij acht gevallen van vervolging van drukpersdelicten in de tijd van de Doelistenbeweging (1746-1750). Ook hij ontdekte dat de justitie bij de opsporing uitlokking bepaald niet schuwde. Om de rust te bewaren zette de overheid soms hard in, maar uiteindelijk liep het nog weleens met een sisser af. Enkele verdachten kregen zware boetes of vluchtten, maar de meesten kwamen met de schrik vrij.

Een veel langere periode bestrijkt A. H. Huussen jr. Hij beschrijft hoe tussen 1594 en 1795 door Stad en Ommelanden van Groningen tegen zo'n dertig theologische en politieke organisaties werd opgetreden. Gerard Groeneveld schetst op grond van gedegen archiefonderzoek hoe het de Duitse bezetter ondanks ijverige Nederlandse steun tussen 1940 en '45 nog aardig wat moeite kostte de boekenwereld onder controle te krijgen. Het literaire leven werd wel grotendeels lamgelegd, maar de gewenste nieuwe eenheidscultuur kwam er niet.

Twee overigens zeer lezenswaardige artikelen voldoen niet aan de door Jeroen Salman in de inleiding gegeven definitie van censuur als overheids-ingrijpen. E. M. Grabowsky verhaalt hoe Amsterdamse schouwburgregenten onder aanvoering van Balthazar Huycekoper in 1729 erin slaagden de alleenrechten op toneelteksten te veroveren, zodat ze ook teksten van Bredero en Vondel konden kuisen.

Met name voor lezers dezer krant is het artikel van Jacques Dane over de vooroorlogse (zelf)censuur in gereformeerde kring interessant. De Amsterdamse dominee dr B. Wielenga vond het zeer bedenkelijk dat zijn catechisanten - 'kantoorbedienden, fabrieksjongens, vakleerlingen, ateliermeisjes en dienstboden - graag Couperus, Van Eeden en Van Deyssel lazen. Kom daar nu eens om!

De bundel bevat ook een prachtig artikel van Lisa Kuitert (ja hoor, dochter van), die vier Tilburgse literatuursociologische dissertaties op een kritische, maar niet per se onwelwillende toon bespreekt. Ze analyseert scherp en formuleert mooi en humoristisch. Bij een proefschrift dat bij Menno ter Braak overal berekening vermoedt: “Hij zal zich toch niet bij wijze van strategie van het leven beroofd hebben?”

Waarop ze door redactielid Kees van Rees in anderhalve bladzijde afgeblaft wordt wegens algehele hersenloosheid. Zo'n reactie is misschien beter dan censuur, maar een serieuze anti-kritiek was natuurlijk wenselijker geweest.

Voorts ben ik van mening, dat juist boekhistorici hoorden te weten dat noten niet opgestapeld achter een artikel horen, maar aan de voet van een bladzij.

mailIcon print |