*

 

Heel deze noodlottige verknoping van relaties en emoties levert natuurlijk niets goeds op

T. VAN DEEL − 28/11/97, 00:00

recensie P. A. Daum (1850 - 1898) is een van de schrijvers die in de jaren dertig door Du Perron en Ter Braak uit de vergetelheid werden opgediept en hergewaardeerd werden vanwege hun authentieke stijl. Eind november 1932 reageert Du Perron op een nummer van Den gulden winckel, waaruit nogal wat belangstelling blijkt voor de belletrie over Indië. Hij maakt in deze ingezonden brief gewag van het werk van Maurits, dat is het pseudoniem van Daum, “wiens Indische romans, door Van Deyssel in volle literaire werkzaamheid geprezen, en helaas geheel uitverkocht, voor Couperus' Stille Kracht in geen enkel opzicht onderdoen, integendeel.”

Dit is een eerste zet in het spel van aandacht vragen, er zullen er nog vele volgen. Een paar maanden later vraagt Du Perron aan zijn vriend Batten of deze in de Koninklijke Bibliotheek de bladzijden 241 en 242 van 'Goena-Goena' voor hem wil overschrijven, liefst zo dat hij deze in zijn exemplaar ontbrekende bladzijden er gewoon in kan plakken. Ook bij Batten maakt hij reclame voor Daum: “De man is zeer de moeite waard; hij houdt het midden tusschen Couperus en Willem Elsschot en is, ofschoon hij slordiger schrijft, wschl. rijker en zeker geenszins minder dan den laatste.”

In augustus 1933 maakt Stols hem attent op een voor Daum minder vleiend stuk van Van Deyssel, die daarin terugkomt op zijn positieve oordeel over de eerste romans. Du Perrons brief hekelt de esthetica van de Tachtiger: “dit is het gezwam van een aartsliterator die vreest dat hij zich in de vingers gesneden heeft. Vergeleken met de romans van Van Deyssel is Maurits bovendien onvergelijkelijk superieur, wat niet moeilijk is, dat V.D. totaal onleesbaar is, en zoo bedonderd schrijven als V.D. soms wist te doen, lag zeker ook buiten het vermogen van dien armen pa Daum!”

Een paar jaar later zou Du Perron zelf een voorwoord schrijven bij de heruitgave van 'Goena-Goena' door de Wereldbibliotheek. Er kwam door deze vooropgezette literatuurpolitiek van Du Perron - en Ter Braak, vaak in dezelfde bewoordingen - een Daum-revival tot stand. De nieuwe keuzes die zij maakten, hebben het beeld van onze literatuur danig veranderd en werken tot op de dag van vandaag door. Zij schoven schrijvers naar voren die, in het verleden, als het ware in de traditie van Forum schreven, “schrijvers van het gezonde verstand” volgens Ter Braak, zoals Paap, Nescio, Elsschot, om er enkelen te noemen. Schrijvers die lak hadden aan woordkunst, anti-Tachtigers eigenlijk, die een persoonlijke, heldere stijl nastreefden.

In de jaren zeventig ontstaat er een hernieuwde belangstelling voor Daum, door toedoen van Rob Nieuwenhuys en Gerard Termorshuizen. De laatste verzorgt reprints van Daums romans, schrijft een proefschrift over deze 'Journalist en romancier van tempo doeloe', en is nu ook de bezorger van zijn 'Verzamelde romans', waarvan het tweede deel zojuist is verschenen. Met deze uitgave lijkt alle twijfel over de plaats die Daum in de Nederlandse literatuur inneemt, weggenomen: hij is nu volledig geaccepteerd, gewaardeerd en gecanoniseerd.

Het tweede deel van de 'Verzamelde romans' beslaat in zijn geheel de tetralogie 'In en uit 's lands dienst'. De romans zijn aanvankelijk als feuilleton gepubliceerd, de eerste in 'Het Indisch Vaderland' en de drie volgende in 'Bataviaasch Nieuwsblad', in de periode 1885 - 1888. Daums feuilletons genoten een enorme reputatie, ze hebben naast de zeer kritische journalistiek van zijn hand, in kranten die hij zelf leidde of oprichtte, voor veel lezers van deze dagbladen gezorgd. Daum was een der eerste naturalistische schrijvers, geraakt door de schrijfopvattingen van Zola, met een speciale aandacht voor de werking van het (Indische) milieu op de mens. Hij verzette zich tegen het idealiserende en moraliserende proza van die tijd en streefde een meer objectieve, niets verdoezelende, werkelijk realistische vertelwijze na, in een nauwelijks artistiek, eerder journalistiek te noemen stijl, waarin de dialoog een belangrijker rol speelt dan de beschrijving.

'De Van der Lindens c.s.', het eerste deel, geeft het verhaal van een doktersfamilie en hun vrienden en kennissen. De heer Van der Linden is weduwnaar en zijn dochter Louise, verwekt bij zijn Indische vrouw, maakt het zichzelf op een kwade dag onmogelijk te trouwen met diegene om wie zij werkelijk veel geeft. Een zekere baron Van Leeuwendaal die bij hen inwoont - hij is een naar Indië gestuurd jongmens, een zogenaamd 'presentkaasje' - wordt ervan verdacht bij Louise 's nachts terwijl zij slaapt, te hebben ingebroken en daar de juwelen van haar moeder te hebben weggehaald. Het blijkt heel anders in elkaar te steken en in de onthulling van de ware toedracht is ook het buitenechtelijk verleden van de dokter in begrepen, want hij heeft in de kampong een vrouw wonen met een kind dat van hem is.

Hoewel omringd door allerhande andere personages, die zoals het een afwisselend feuilleton betaamt ook in hun eigen bezigheden zo nu en dan gevolgd worden, is Louise van allen toch wel het belangrijkste personage te noemen. Zij laat zich, ontgoocheld, gemakkelijk om haar hand vragen door een oude weduwnaar, de heer Van Velton, een rijke man die haar niet uit liefde, maar “om de gezelligheid in huis; uit levensnoodzaak, en bij wijze van hygiënische maatregel” huwt. Als Fournier hiervan hoort, geïnformeerd door H. van Brakel, aan wie deel drie zal worden gewijd, zegt hij, het zijn de slotwoorden van de roman: “Louise van der Linden heeft een rijke man, en ik heb een illusie minder. Daarmee is alles gezegd.”

Het tweede deel concentreert zich op 'Mevrouw L. van Velton- van der Linden'. Louise heeft een zoon gekregen en haar huwelijk is slecht, haar man houdt het met een ander, nota bene met haar halfzusje uit de kampong. De moeder van dat halfzusje, in de steek gelaten door de dokter, is met een ingenieuze wraakactie bezig, maar die levert niet het gewenste schandaal op. Fournier, Louise's grote liefde in feite, huwt met een dochter van Velton, die echt van hem houdt, alleen kan hij Louise niet uit zijn hoofd zetten. Heel deze noodlottige verknoping van relaties en emoties kan natuurlijk niets goeds opleveren en de roman eindigt dan ook met het vertrek van Louise - haar man is dan al gestorven - naar Holland. Met de liefde voor Fournier is het gedaan.

'H. van Brakel, ingenieur B.O.W.' cirkelt rond deze figuur, die zichzelf in een neerwaartse spiraal doet belanden door zijn kaartspel, schulden en drankzucht. Het vierde en laatste deel 'Indische mensen in Holland' speelt grotendeels in Den Haag. Verschillende in de eerdere romans ter sprake gekomen personages treffen we hier in een Hollandse situatie aan. Ook Louise, de veruit mooiste en treffendst getypeerde vrouwenfiguur van de tetralogie, een in veel opzichten onafhankelijke, geëmancipeerde vrouw, die in Holland nog een gelukkig huwelijk aangaat met een jonge graaf, officier De Riquelle.

Het valt uit deze korte samenvattingen van de inhoud van deze vier romans wel op te maken dat Daum een schrijver is over sociale en maatschappelijke configuraties van mensen, over hun werkkringen, hun familielevens, hun seksuele en huwelijkse moraal, hun (gebrek aan) verbanden met de Indische bevolking, hun relatie met het thuisland. Heel dat moeilijk te doorgronden samenspel tussen het individu en zijn of haar omgeving, de spanning tussen het particuliere en het maatschappelijke, beschrijft Daum in zijn psychologische en sociale romans. Ze geven een sterk realistische indruk en zijn onverminderd fris en genietbaar vanwege de zakelijke stijl.

mailIcon print |