recensie In de nieuwe bundel van Margreet Schouwenaar, 'Van tijd het dood gewicht', gaat het er weer cerebraal en streng aan toe. Weerbarstig wringen haar woorden zich in het gelid. Iedere sier en zwier is hen vreemd: 'Tot het bot gebeten, tot het hemd / gekeken, word ik / voor uitsparing versleten'. Compromisloze, elementaire taal is dit.
Ook een regel als 'Verwachting kwijlt langs kinnen' illustreert dat deze dichteres de dingen niet mooier maakt dan ze zijn. Humor en ironie ontbreken geheel en zoiets onschuldigs als het opzetten van een bril ('de poten staal gestrekt') gaat bij haar zo: 'Ik die mij daartussen wring, hoewel /ik liever schamp, het ding onttrek/ aan mensendoel'.
Tegenover het gebrek aan humor staat een bovenmatige aandacht voor de verstandelijke component. 'Het is noodzakelijk te denken', staat er in het gedicht 'Portret', en de echo's hiervan klinken op vrijwel elke pagina door. Je kunt veel van deze poëzie zeggen, maar níet dat zij zich ontlaadt in hersenloze 'Schwürmerei'.
Wie zoals ik de ernst graag omspeeld ziet door lichtheid en meer in het algemeen gevoelig is voor het contrastrijke en barokke, zal met deze poëzie wel moeite hebben. Schouwenaar is bijna gechargeerd serieus en dat doet van de weeromstuit naïef aan. Toch kan ik niet ontkennen dat haar werk bij vlagen wel degelijk boeit. Zij schrijft sterk verinnerlijkte poëzie, maar zij doet dat in markant gevisualiseerde, filmische beelden van de buitenwereld: straten, pleinen, spelende kinderen en wat dies meer zij.
Opvallend vaak is er sprake van deuren en ramen die open - dan wel dichtstaan, wat een symbolische uitbeelding lijkt van het drukke verkeer tussen innerlijk en buitenwereld dat haar voor ogen staat. Het kijken speelt een toonaangevende rol: 'zie en kijk' staat er zelfs ergens. Maar het is het kijken als in een droom: de beelden zijn haarscherp, maar het onderlinge verband is problematisch. Niet voor niets, dunkt me, heeft het onbepaalde lidwoord het bij haar vaak voor het zeggen. Ze heeft het vrij consequent over 'een straat', 'een jongen', 'een zomer' en zelfs 'een vandaag'. Dit geeft haar gedichten een archetypisch karakter: het zijn háár 'oerbeelden', maar hun onbestemdheid en sfeer zijn ons min of meer bekend uit ons eigen droomleven.
Deze beelden nu laat Schouwenaar als het ware stollen in een soort privé-mystiek van het wit. Dat gebeurt al direct in het openingsgedicht, waarvan de slotregels luiden: 'Dat is alles. Een zomer/ legt zich neer in een knaap, /een bal, een tot glans gepeld vel./ /Een tijdstip./ Wit'. Het gedicht bewaart 'het dood gewicht' van de tijd (dat wat voorbijgaat) maar brengt het tevens opnieuw tot leven in een geheimzinnig licht dat 'de dingen samen(vat). /In wit'.
De toespelingen op dit mystieke wit, dat niet niets is maar álles, zijn legio. Deze poëzie 'zet in /op wit', staat er letterlijk. Verschillende van Schouwenaars preoccupaties (met de kindertijd, met deuren, licht, binnen- en buitenwereld) komen samen in deze regels: 'Ik wil mij vergeten, dromen /dat ik jong ben met een deur die /aanstaat, opgaat in een passant,/ oor leent aan het licht dat lichaam / maakt'.
Schouwenaar heeft nogal wat woorden nodig om haar droomachtige, geladen beelden voor het voetlicht te brengen. De souplesse en elegantie van het compacte, afgeronde gedicht zijn bij haar ver te zoeken. Vaak vloeien ze min of meer in elkaar over. Her en der laten zich groepjes onderscheiden van al dan niet opeenvolgende gedichten die het nodige met elkaar gemeen hebben. Zo is er een drietal beeldgedichten die een schilderij of portretfoto (maar in werkelijkheid natuurlijk de tijd) tot onderwerp hebben.
Ook is er een groepje gedichten die een min of meer traumatisch afscheid beschrijven: 'Onvoltooid vertrek', 'Vaneen' en 'Vertrek'. In 'Noden' wordt hier eveneens op gezinspeeld in de regel: 'Nooit verjaart een afscheid'. In een ander groepje vormt de taal het bindende element. Het zijn niet de slechtste gedichten.
In 'Streepjespak' wordt aan de hand van een jeugdherinnering een mooi contrast uitgewerkt tussen de vastomlijnde taal van de vader ('Grijs stond het woord op de rand / van zijn boord'), van vroeger dus, en het gebrek aan 'snit of geweten' in de taal van de volwassen geworden ik-figuur. In 'De tijd niet' gebeurt iets dergelijks. Hier gaat het om een herinnering aan een dia-avondje: '(vader) schuift de platen voor het trillend doek, / beslist de namen zodat geen kind kan dwalen'.
Zo'n betrouwbare en archetypische 'namengever' moet iedereen in zijn latere leven ontberen. Met de groei naar de volwassenheid ontgroeien wij de zuivere, alles aan ons bindende taal. In 'Spel' projecteert de Schouwenaar dit verlies nog verder terug. Hierin wordt het stadium waarin een peuter zich kraaiend één weet met de dingen gesteld boven dat waarin het zijn eerste woordjes leert en dusdoende de magische band met de dingen verliest.
Het gedicht 'Stijl' betrekt de taal nadrukkelijk op de dichtpraktijk. Het rekent af met het woord op 'kleine voetjes', waarmee weemoedige herinneringen en tafereeltjes worden geschetst, en stelt daarvoor in het 'harde' woord in de plaats:
Taal wil ik los van een ogenblik, zodat het een verhaal is uit een stuk steen Makkelijk in een hand te sluiten. Ketsend over water, hard en ingetogen. Bruikbaar voor het niets dat eenieder treft.
Taal dus die het harde, schelle 'wit' genereert waarmee Schouwenaar zich tegen de tijd en het niets teweerstelt. Het zijn geen nieuwe klanken in onze poëzie, maar het is toch goed dat iemand deze gooi naar het absolute, steenachtige woord weer eens aandurft.
Jammer alleen dat zij deze gepantserde kunstopvatting niet durft te contrasteren met luchtiger melodieën. Is het zachte water in de rivier niet sterker dan de hardste steen? Voor dit soort subtiliteiten is zij niet in. Haar 'hardheid' is, hoewel volkomen ongeposeerd, toch wel zo doorgeslagen dat de irritatie mijn bewondering frequent overstijgt. Waaruit zich ten slotte het enigszins dubieuze compliment laat afleiden dat haar poëzie mij in elk geval niet onverschillig laat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.