*

 

Een eenzaat van over de vijftig op zoek naar zijn tragische, nymfomane moeder

T. VAN DEEL − 18/04/97, 00:00

recensie Nelleke Noordervliet: Uit het paradijs. Roman. Meulenhoff, Amsterdam; 317 blz., gebonden ¿ 55, paperback ¿ 39,90.

'Uit het paradijs' is wat dit aangaat geheel vergelijkbaar met zijn voorganger. Ook in thematisch opzicht zijn er nogal wat overeenkomsten te noemen, zoals het in kaart brengen van het eigen verleden, het onthullen van geheimen.

Waar 'De naam van de vader' kan worden gelezen - de titel zegt het al - als een zoektocht naar de vader, daar kan de nieuwe roman als een zoektocht naar de moeder worden opgevat. Het paradijs, waaruit de hoofdpersoon zich verstoten voelt, is, hoe kan het anders, zijn gelukkige jeugd in het huis in de duinen, een jeugd waar onverhoeds een eind aan kwam.

Met karakteriseringen als vader-roman of moeder-roman zijn beide boeken natuurlijk allerminst afdoende gekarakteriseerd, het gaat immers om de situering van de personages, het tijdsverloop en op welke manier dat aan de orde wordt gesteld, en ook de sekse van het hoofdpersonage is niet van belang ontbloot.

'Uit het paradijs' heeft een mannelijke hoofdpersoon, David Berk, ruim in de vijftig, woonachtig te Leiden, tekenaar en grafisch ontwerper, na de scheiding van zijn vrouw eenzaat en afzijdige uit overtuiging. De roman speelt op een cruciaal moment, wanneer hij in het bestek van maar een paar dagen belangrijke beslissingen moet nemen, die alles te maken hebben met wat er in zijn verleden, vooral met zijn moeder heeft plaatsgevonden.

Bij David Berk zijn te logeren zijn halfbroer, schoonzus en nichtje en zij vormen tezamen de katalysator, zij zetten de sluizen naar het verleden open en het lijkt er soms wel op dat David door die stroom verzwolgen zal worden. Zijn familie vertegenwoordigt voor hem de Brusselse tak, de Vervaeckes, en die heeft hem uit het paradijs weggehaald. Zijn moeder legde het namelijk aan met Jef en dat bleef niet bij een slippertje, maar zij volgde hem naar Brussel, en nam haar zoontje mee. Deze Jef heeft hem uit het paradijs getild en nu zit hij thuis, decennia later, en wil de zoon van Jef, zijn halfbroer dus, hem bewegen om zijn huis te verkopen (aan hem) en te gaan wonen in het huis in de duinen, dat leeg staat, want zijn vader is gestorven.

Bij Nelleke Noordervliet, net als bij Shakespeare, is het niet onmogelijk dat de schim van een overledene zich manifesteert. Daarmee begint de roman, want David heeft op een nacht een ontmoeting met zijn overleden moeder, die hem zegt dat hij 'het gedaan heeft', waarmee zij zijns inziens bedoelt dat hij haar vermoord heeft. Het is een lijn in de roman die tot op het einde een vervolg krijgt, namelijk de beantwoording van de vraag hoe de moeder dood is gegaan (ook vergiftiging van de kant van de Vervaeckes, die haar haatten, wordt overwogen als doodsoorzaak).

Naast de cynische, sarcastische, maar vanzelfsprekend ook hoogst gevoelige David is het personage van de moeder, als schim of in de herinnering, het meest uitvoerig getekend. Zij is haar hele leven lang een nymfomane droomster geweest, snakkend naar een leven als in een liefdesfilm. Ze zag er uit als Marilyn Monroe en werd vanwege haar verleidelijkheid en geilheid door de Vervaeckes voor 'hoer' uitgemaakt. Behalve Jef had zij, ook dat was algemeen bekend, diens vader als geliefde, een feit dat Jef tolereerde om redenen die vaag blijven, maar iets van doen hebben met collaboratie in de oorlog.

Gecompliceerde relaties dus, die Davids moeder zodanig pijn bezorgden en van slag brachten, dat zij om die pijn te bestrijden (ze had altijd al aanleg voor zelfverminking) zichzelf pijn gaat toebrengen, ten slotte brandt zij zelfs haar vermaledijde gelachtsorgaan met een strijkbout. De moeder is de grote, tragische figuur van dit boek, zij wordt vertellend opgeroepen. De vader, van David, blijft in het duister, want na de scheiding is hij in het duinhuis blijven wonen en heeft hij zich niet meer met zijn naar Brussel meeverhuisde zoon bemoeid.

Net als 'De naam van de vader' is 'Uit het paradijs' een boordevol en hevig boek, waarvan onmogelijk in een paar woorden kan worden samengevat wie en wat erin meespelen. Zo is bijvoorbeeld de geschiedenis van de drugsverslaafde dochter van David, die juist in die paar dagen van het heden van de roman met de deur in huis valt, een belangrijk element en dat geldt ook voor de haat-liefde die David voor zijn schoonzus voelt.

Met haar heeft hij in het lege duinhuis een overrompelende en katharsische seksuele ervaring, aanvaring eigenlijk, waar enige tijd later een zo basale rouw om zijn moeder en zijn verstoorde jeugd, om alles en iedereen, op volgt dat hij huilend en spullen stukmakend wordt aangetroffen in zijn werkkamer.

Een hevig boek, ik zei het al, hevig tot in de vergelijkingen toe, die vaak ook de tegenstrijdigheden, de ambivalenties blootleggen, waar het boordevol mee zit. Neem deze beschrijving: “Het voelt alsof je de tepel van je geliefde in je mond hebt en je bijt er zachtjes in en je wilt opeens doorbijten en je moet jezelf met geweld van die borst bevrijden en je kaken op elkaar klappen en bijten, bijten, bijten, tot de pezen als koorden in je wangen staan.”

Of deze: “Ik telde haar ribben in de v-hals van haar katoenen trui, en zag haar karkas als dat van een te mager konijn gebraden op mijn bord liggen. Geen feestmaal. Tegelijk voelde ik de hitte van haar dijen, de zachte wand van haar schede, het droge vel van haar handpalmen.”

Op het eind van de roman betreedt David, herboren of tenminste met als enige mogelijkheid opnieuw te beginnen, het domein van zijn jeugd, de naaste omgeving van het duis in de duinen, dat hij nu zal gaan betrekken. Hij gaat zelfs zo ver om zich toe te vertrouwen aan de grond:

“Dan ga ik op mijn hurken zitten, het gezicht richting vallei, het huis achter me, neem een kluit grond en verkruimel die tussen mijn vingers. Het zwarte zand blijft achter mijn nagels zitten en in de lijnen van mijn handpalm. Ik lik de korrels eraf. Ik neem nog een handje grond en eet het op. Ik strek me plat op mijn buik uit, spreid mijn armen en koel mijn voorhoofd in de aarde. (...) Het is goed zo. Ik ben. Ik ben terug.”

Het paradijs is dus mogelijk weer te bereiken voor wie zich verzoend heeft met het feit dat hij eruit verdreven is.

mailIcon print |