recensie Meer dan twintig jaar geleden beeindigde Willem Brakman zijn roman 'Het zwart uit de mond van Madame Bovary' met de verzuchting: “Hoe leeg is alles.” Dat waren vier woorden die moesten aangeven dat voor de hoofdfiguur de zingevende factor uit het leven was verdwenen. Deze keek uit het raam, zag een tuin in prachtig herfstlicht, verpleegsters die met patiënten rondliepen, een balspelende jongen, en hij hoorde een vogel fluiten en het rinkelen van potten en pannen voor het avondeten, maar heel deze vredigheid onderging hij als een leegte.
Het kan niet anders of Brakman heeft, toen hij de eindzin schreef van zijn nieuwste roman 'De gelukzaligen', gedacht aan de vroegere roman, die trouwens ten dele ook op een waddeneiland speelt: “Hoe ingewikkeld was toch alles.” Dat is meer een uitspraak getuigend van het inzicht dat de verbanden eindeloos zijn en moeilijk te doorgronden. Het is, meen ik, geen mismoedigheid die eruit spreekt, maar de erkenning dat het leven en ook het verhaal ingewikkeld in elkaar steken. De uitspraak kan ook gelezen worden als een commentaar op het begin van zijn novelle 'Interieur', waarin Brakman zijn lezers ironisch toespreekt: “Moeilijk is het allemaal niet, het gaat er maar om zich even open te stellen, de pas in te houden (. . .). Daarna gaat alles vanzelf.”
Er is voor beide opvattingen wel wat te zeggen. Het valt niet te ontkennen dat er lezers zijn op wie Brakmans manier van vertellen een verwoestende werking heeft. Voor hen is het te ingewikkeld geworden, ze kunnen de draad niet te pakken krijgen waarmee de kluwen afgewonden kan worden.
Maar misschien is die draad er ook niet en moet men zich inderdaad, zoals de schrijver aanbeveelt, openstellen voor het verhaal. Lang niet alles hoeft dan op het eerste of tweede gezicht duidelijk of ter zake te zijn, raadselachtigheden mogen tenslotte best raadselachtig blijven, er is zoveel onverklaarbaar dat toch bestaat en meedoet. De overtuigingskracht van het verhaal, de magie van het vertellen, daar komt het dan uiteindelijk op neer.
'De gelukzaligen' is een dubbelroman, waarvan de ene helft op een waddeneiland en de andere helft op het eiland der gelukzaligen speelt, dat trouwens ook in de waddenzee gesitueerd wordt en soms Cythera of Ultima Thule heet. In de ene roman gaat de schrijver Potter om zijn depressiviteit te bestrijden een tijd logeren op een waddeneiland, waar hij op aanraden van zijn psychiater zich aan het schrijven zet. De structuur van de roman, met afwisselend het verhaal over Potter en dat over het eiland der gelukzaligen, suggereert dat Potter de auteur is van het laatste verhaal.
In dit verband is het opmerkelijk, en niet onlogisch, dat Brakman in zijn roman tamelijk uitvoerig ingaat op het schrijven zelf, op het feit ook dat alles wat in een verhaal gebeurt, niet echt, maar in de taal gebeurt. In de gelagkamer van het hotel zat Potter te schrijven en “de vertalingen in zijn cahier van zijn diepe roerselen verbaasden hem soms zelf en troostten hem. Hij richtte zich hierbij tot zichzelf, de beste lezer die hij kende, een die in het midden van de wereld deze al lezend een klein beetje veranderde en daarmee ook zichzelf. In de gelagkamer verhield hij zich tot het verborgene als moesten er omwille van de waarheid bepaalde zones verschoond blijven. Hij kon dat zien aan dat wat goed was, wat hem ongewild met schaamte vervulde of wat ronduit slecht was; de boodschap bouwde zich op uit monotone fantasieën, waarin de grondmotieven tot uitputtens toe werden herhaald. In beelden tussen vreemd en vertrouwd, tussen toen en nu, een Ultima Thule in herfstig licht. Waar die opdoken wervelde taal omhoog, eigenzinnig en even onredelijk als veeleisend.”
Het verhaal over Potters wederwaardigheden op het eiland is een onmiskenbaar Brakman-verhaal. Het heeft hilarische, satirieke kanten waar het de kunstenaarskolonie beschrijft waar hij in terechtkomt. Vooral de dichter Potjewijd krijgt een onvergetelijk portret. Hij is de innig zichzelf en zijn verlangens koesterende man, een altijd verliefde, maar meer nog dan dat een op zichzelf verliefde, een narcist van het zuiverste water en daarbij een volstrekt gemankeerde kunstenaar, die iedereen probeert in te palmen met het verhaal van zijn laatste hoofdstuk: “ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo lang kon vertellen over het laatste hoofdstuk van het boek dat hij nog moet schrijven. We hebben allemaal wel eens een versie moeten aanhoren en er zijn mooie bij zegt men, maar ja. . . wat is een laatste hoofdstuk, daar moeten als het ware enkele andere aan vooraf zijn gegaan.”
Er is weer veel gespioneer en geïntrigeer, achterklap en geruchten doen hun werk, zeker wanneer Potter een affaire begint met de doktersvrouw. Zoiets kan niet goed gaan, een 'monologenman' als hij is in de wieg gelegd voor mislukkingen in de liefde en hij zegt het dan ook zelf tot slot: “Ik heb mij altijd vreselijk aangetrokken gevoeld tot vrouwen bij wie ik eigenlijk niets te zoeken had.”
Het verhaal dat Potter schrijft, de 'vertaling' van zijn diepste roerselen, is in een flonkerende, archaïsche stijl geschreven, met veel gallicismen. Op het eiland der gelukzaligen heerst een cycloop, graaf Von Launitz, een intrigant die wel iets heeft van Potjewijd, want ook niets liever doet dan genieten van zichzelf (“Daarin ken ik geen pardon”) in zijn kleine lustslot de Heerlijkheid Nijenhuis, hooggelegen op het Willemsduin. Daar verblijven de gelukzaligen en ze maken zich zorgen om De Dikke Hertog van Brunswijk, die onder het volk de mare verspreidt dat gelukzaligheid een recht van iedereen is.
Het is een turbulente tijd, met oorlogsdreiging, onzekerheden, intriges, al verzucht de graaf ook een enkele keer: “Het is een intrige wat ons ontbreekt.” Waarschijnlijk doelt hij daarmee op het verhaal waarin hijzelf een rol speelt en dat wel allerlei intriges bevat, maar een duidelijke intrige niet. De personages die erin optreden geven al een indruk van de bijkans onbeschaamde opzet: de occultist Cagliostro, de diplomaat Machiavelli, de dames Ahn en Moret, auteurs van een schoolboekje met moeilijke woorden en zinswendingen in het Frans, vele adellijke personen, zoals de heer Van Bentinck, admiraal Scott en een prinses naar wie naarstig gezocht wordt en die plotseling naakt uit zee oprijst. Ook Don Pasquale, als lijfarts, en Vosmeer de Spie uit Vondels 'Gijsbrecht' zijn van de partij, kortom het is een uiterst merkwaardige verzameling personages die in het retort van dit verhaal meeborrelt.
Maar dat is Brakman wel toevertrouwd, hij heeft een behendigheid ontwikkeld om ook de meest ongeloofwaardige samenrottingen en voorvallen geaccepteerd te krijgen. Zo komt Machiavelli een keer terug van een lange diplomatieke missie, en het hoeft dan niemand te verbazen dat hij ook het orakel te Delphi heeft aangedaan. “De pythia kende ik nog van vroeger, maar dat neemt niet weg dat de god lang gezwegen had. Hij is luimig geworden zei ze, een geest zonder de grote impuls, maar voor een prix d'ami, als het ware onderhands kreeg ze hem toch zover iets los te laten.” En wat is het, dat hij orakelt? “Alles is anders.”
Misschien is deze uitspraak wel als een variant op te vatten van de slotzin “Hoe ingewikkeld was toch alles”. De romanlijn-Potter eindigt met diens vertrek van het eiland, de romanlijn-Gelukzaligen eindigt met een amoureuze toenadering tussen de prinses en admiraal Scott, tenminste naar het schijnt. Veel is onzeker en hoe bij voorbeeld precies de parallellen liggen tussen Potter en het verhaal dat hij schrijft, is moeilijk aan te geven. Maar dat Brakman een prachtige, en op elke bladzij ook nu weer hoogst amusante dubbelroman heeft geschreven, lijkt mij een onontkoombare conclusie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.