recensie Jort Kelder & amp; Yvo van Regteren Altena: Man & amp; Pak. Over de noodzaak van kleren op maat, kasjmier sokken en andere uiterlijkheden. Prometheus ¿25,-. Nicolaas Klei & amp; Marieke Cobelens: De man in zijn hemd. Over kleren voor heren. Balans, ¿34,90. Paul Keers: A Gentleman's Wardrobe. Londen Weidenfeld. 1987.
Althans, als we Jort Kelder en Yvo van Regteren Altena moeten geloven. In hun zojuist verschenen boek Man & amp; Pak houden ze een warm pleidooi voor kwaliteit, en dat is in hun ogen het maatpak. Zelf opgegroeid in de spijkerbroek lopen zij de klassieke mannengarderobe langs op zoek naar hoe het eigenlijk hoort met schoenen, overhemden, dassen, pakken en tassen.
De Engelsman Paul Keers schreef in 1987 al zo'n handboek, het inmiddels klassiek geworden en nergens meer te verkrijgen A Gentleman's Wardrobe. Het boek van Kelder en Van Regteren Altena is daar een vrije bewerking van, geheel aangepast aan de Nederlandse situatie. Het betekent dat er vooral meer wordt uitgelegd. Want wat maakt nu een maatpak tot een maatpak? Een kleermaker snijdt om te beginnen zo'n pak perfect op maat. Dat is meegenomen want maar één procent van de mannen benadert de maten van het confectiepak. Daarbij corrigeert een maatpak ook kleine oneffenheden als een scheve of afgezakte schouder. Het maatpak zit dus beter en voelt ook lekkerder omdat er andere versteviging in zit. De revers zijn gevuld met met de hand ingezet kamelenhaar, waardoor ze beweeglijk en levend op de jas blijven liggen, terwijl de versteviging in het 'plakpak' er zo wordt ingespoten, waardoor het een keihard harnas wordt. Het ware maatpak herkent men verder aan de vier knopen op de mouw die echt open kunnen en met zorg zijn aangezet - de naaitijd van één knoop is twintig minuten. De knoopsgaten zijn uiteraard met de hand afgewerkt. Een kenner ziet zoiets onmiddellijk. De echte liefhebber kan volgens Kelder en Van Regteren Altena aan de hand van deze details zelfs vertellen van welke kleermaker het pak afkomstig is. Zo zijn de pakken van de Milanese kleermaker Mario Caraceni herkenbaar aan een lusje achter het gaatje in de revers bedoeld om een eventuele bloem op zijn plaats te houden. Dat is een belangwekkend detail. Nu weten we eindelijk hoe Prins Bernard zijn anjer op zijn plek houdt.
LEE TOWERS Hoe treurig het precies met de Nederlandse man gesteld is illustreren Kelder en Van Regteren Altena aan de hand van bekende Nederlanders. De schoenen van Frits Bolkestein zijn verkeerd, want bruin en met te dikke veters. Hans van Mierlo verraadt gebrek aan smaak met openbarstende shirts en miezerige gedraaide sliertjesdassen en de haardos van Lee Towers is er een, aldus de schrijvers, waarmee een prijspoedel hoge ogen zou gooien. Hele handelsdelegaties, topmanagers en beurshandelaren vallen in Nederland te betrappen op 'don'ts' als dikke spekzolen, foute dassen, witte sokken en plastic koffertjes. In eigen land komen ze ermee weg, in New York, Londen of Milaan zouden ze zo onmiddellijk afgestraft worden. Dat allemaal veranderen denken Kelder en Van Regteren Altena niet te kunnen met hun boek. Ze hopen alleen op wat meer begrip voor de man met gepitte gulp.
TWEEDEHANDS Maar heimwee naar het klassiek pak is er zeker. Want hoe toevallig, er verscheen deze week nog een boek waarin uitvoerig wordt weggezwijmeld bij handgemaakte overhemden en maatpakken. In De man in zijn hemd beschrijft Nicolaas Klei (hij schreef het boek met zijn metgezel Marieke Cobelens) zichzelf als een verwoed verzamelaar van tweedehands maatjasjes en overhemden. Klei en Cobelens zijn in hun boek vooral op zoek naar de oorsprong van al deze kledingstukken en de bijbehorende codes. Waarom hoort het onderste knoopje van een vest los gedragen te worden? Waarom hebben broguesschoenen eigenlijk gaatjes? Sommige van die vragen werden ook al door Kelder & amp; Van Regteren Altena en Keers beantwoord. De brogues zijn van oorsprong vrijetijdsschoenen gedragen in de drassige Schotse Hooglanden. De gaatjes zorgden ervoor dat het water uit de schoen werd afgevoerd.
Interessanter worden Klei en Cobelens als ze voorbij gaan aan de weetjes en ingaan op zoiets als het ontstaan van een goede snit in het mannenpak. Tot aan de negentiende eeuw was die, zo leerden ze van schilderijen en het kledingdepot van het Rijksmuseum, hopeloos. Het duurt tot het midden van de negentiende eeuw voordat er echt pasvorm in jassen en broeken komt, simpelweg omdat dan pas het meetlint wordt ontdekt. Een uitvinding die extra werd bemoeilijkt door de kleermakers zelf omdat zij het als een teken van vakmanschap beschouwden dat ze maten zo op het oog konden inschatten.
De intrigerendste vraag blijft natuurlijk waarom die man al bijna twee eeuwen niet meer uit dat donkere pak te krijgen is. De conclusie van Klei & amp; Cobelens is wel wat erg simpel. Op het tijdperk van de frivole kant, muiltjes en maillots zou als zo vaak in de mode een sobere tegenreactie zijn gevolgd. Verder citeren ze losjes wat bestaande theorieën: het pak zou in het grijze beton van de geïndustrialiseerde stad als nieuw camouflagetenue dienen. De man zou in de achttiende eeuw nog frivool kunnen zijn omdat zijn fatterigheid dan nog gecompenseerd wordt door heldhaftige optredens in piraterij, landveroveren of duels. Nieuwbakken zakenmannen en kantoorklerken konden daarop in de negentiende eeuw niet meer terugvallen. Vandaar het pak dat de mannelijke ernst moest onderstrepen en de smetteloze boorden en glimmend gepoetste schoenen die benadrukten dat er voortaan met het hoofd werd gewerkt. Maar moet dat anno 1996 nog altijd worden bewezen?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.