*

 

Van Blauwe Beul tot oppassende letterheerPortret van de negentiende-eeuwse Gids

ONNO BLOM − 05/09/97, 00:00

recensie De statige, lichtjes knetterende titel 'De letterheren', het twee vuisten dikke proefschrift van de Groningse historicus Remieg Aerts over het tijdschrift De Gids in de negentiende eeuw, is het tegengestelde van een boek van Jan G. Elburg. In 'Geen letterheren' beschreef Elburg aan de hand van zijn persoonlijke herinneringen een deel van de voorgeschiedenis van de Vijftigers. Op zijn beurt ontleende Elburg zijn titel aan de poëzie van Lucebert, die had gedicht: “Gij letterdames en gij letterheren, / gij die in herenhuizen zit uit te pluizen daden.”

Protesten tegen het heersende intellectuele klimaat zijn in de literatuur altijd schering en inslag geweest. Toegegeven, niet alle manifesten hebben het revolutionaire effect gehad van het gedicht van Lucebert, waarin 'de blote kont der kunst' wordt gekust onder de sonnetten en balladen van de letterheren. Maar het staat vast dat talloze jonge auteurs zich in het verleden een plaatsje in het literaire pantheon hebben verschaft door zich af te zetten tegen de hopeloos verstofte stijl en immer achterhaalde denkbeelden van de gevestigde schrijvers van dat moment.

Niet zelden dient een nieuw tijdschrift als sterkste wapen in de strijd voor de vernieuwing. Zo stond - om de twee beroemdste Nederlandse voorbeelden te noemen - het na-oorlogse tijdschrift Het Woord aan de wieg van de Vijftigers, en werd de weg voor de poëzie van de Tachtigers in 1885 geplaveid in De Nieuwe Gids. Aan de hand van de geschiedenis van de belangrijkste bladen van de laatste twee eeuwen zou de constante golfslag van het moderne literaire klimaat mooi deinend beschreven kunnen worden.

Als beginpunt van deze fictieve literatuurgeschiedenis zou de oprichting van het tijdschrift De Gids heel goed kunnen dienen. De Gids is in de ogen van velen het meest voorname en eerbiedwaardige literaire tijdschrift dat wij hebben. Tien jaar geleden, bij het hondervijftigjarig bestaan, is ons dat door de toenmalige redacteur H. Mulisch nog eens hardhandig onder de neus gewreven. Hij roemde de traditie van het blad, de lange lijn van redacteuren waarin iedereen wel zijn 'patroonheilige' zou kunnen terugvinden. “Dat kan Busken Huet zijn, Fruin, Couperus, Cort van der Linden, Colenbrander, Huizinga, Roland Holst, Nijhoff, Dijksterhuis, keus genoeg.”

Remieg Aerts vertelt in 'De letterheren' hoe het allemaal is begonnen. In 1837, zeven jaar na de Tiendaagse Veldtocht op last van Willem I tegen de Belgen, richtte de kwaliteitsbewuste Amsterdamse uitgever G. J. A. Beijerinck De Gids op. Niet uit hooggestemde idealen, maar uit geldelijke overwegingen. Beijerinck wilde J. W. IJntema, uitgever van de tamelijk succesvolle Vaderlandsche Letteroefeningen, concurrentie aandoen.

Vaak is de oprichting van De Gids - dat als tergende onderitel 'Nieuwe vaderlandsche letteroefeningen' droeg - voorgesteld als krachtige daad van de belangrijkste redacteur uit de eerste jaren, de even ambitieuze als lastige eenling E. J. Potgieter. In de praktijk betrof het een 'bespottelijke boekverkooperstwist'. Het eerste nummer vertoont daar duidelijk de sporen van. Het 'nieuwe' was er nog niet erg van af te lezen; het blad nam als bladvulling zelfs een 'handleiding tot het stellen van bliksemafleiders' op.

Toch ontwikkelde de redactie van De Gids, die in het begin anoniem opereerde, al snel een frisse filosofie. Het was Potgieters ideaal 'objectieve kritiek' te bedrijven, in internationaal perspectief en zonder aanziens des persoons. De redactie moest de naam van De Gids eer aandoen en schrijvers en geleerden de juiste weg wijzen. “De waarheid moge zeer doen, zij wondt - om te heelen”, schreef Potgieter in 1845.

In een tijd waarin het gewoon was onenigheden uit respect voor elkaars gewichtigheid met de mantel der liefde te bedekken, kon dit rechtlijnig streven niet iedereen bekoren. Het kwam De Gids op de bijnaam 'De Blauwe Beul' te staan. Aerts denkt dat deze geuzentitel toe valt te schrijven aan het satirische Utrechtse blad 'Braga', en stamt uit 1840 of 1841. Alleen in die jaren droeg de omslag een blauw, in plaats van een stoïcijns lichtgrijs jasje.

De kritiek die Potgieter voor ogen stond, betrof zeker niet alleen de literatuur. Het zou beter zijn van De Gids te spreken als een maatschappelijk en letterkundig blad - een term die toen veel meer omvatte dan nu. Aerts toont overtuigend aan dat De Gids al snel uitdrukking gaf aan de brede, burgerlijke cultuur van het liberalisme. Dat strookt ook met de geëngageerde, richtinggevende beginselen van Potgieter, die de kunst “invloed wilde zien uitoefenen op de maatschappij onzer dagen”.

Het geeft Aerts de kans allerlei onderwerpen die het publieke debat bepaalden, met een erudiete armzwaai te tonen. Uitputtend behandelt hij verschillende ideeën over theologie, darwinisme, het kolonialisme en de emancipatie van de wetenschap. Aerts overziet de negentiende-eeuwse intellectuele cultuur en geeft De Gids een nauwkeurige plaats in de toenmalige discussie. Deze enorme intellectuele spankracht heeft er overigens ook voor gezorgd dat Remieg Aerts geen vier, maar tien jaar over zijn boek deed. Bovendien beschreef hij niet hondervijftig jaar van de geschiedenis van De Gids, maar bleef op het breukvlak van twee eeuwen steken.

In Aerts' panoramische perspectief wil de aantrekkingskracht van de afzonderlijke redacteuren van De Gids nogal eens povertjes afsteken. Te midden van de breed uitgesponnen denkbeelden van alle burgelijk-liberalen boeiden mij toch vooral de aardse verhalen van de twee meest afwijkende letterheren: R. C. Bakhuizen van den Brink en Busken Huet.

Bakhuizen, vanwege zijn grote mond ook wel 'Bakkes' genoemd, was in de eerste jaren Potgieters rechterhand. Hij was een zeldzaam flamboyante verschijning, die de regels der betamelijkheid aan zijn laars lapte. Als Leids student hield hij het soms met drie vrouwen tegelijk en leefde hij in een ongelofelijke zwijnenstal. In zijn kamer hielden boeken niet alleen vloer, tafels en stoelen bezet, maar ook zijn hele morsige bedstee. “Als hij”, schrijft Aerts, “'s middags ontbijtend, een Griekse tekst las en zo gauw geen boekenlegger bij de hand had, gebruikte hij zijn rookvlees als bladlegger.”

De briljante Conrad Busken Huet leidde een minder exorbitant leven, maar was op papier net zo rücksichtslos als Bakhuizen. Zo trok hij de uiterste consequentie uit zijn theologische ontwikkeling: hij nam ontslag als predikant bij de Waalse Gemeente in Haarlem en ging van zijn pen leven. Dat was toen een heel wat onzekerder bestaan dan nu. Potgieter zag in hem een ideale, onverzettelijke redacteur, omdat Huet op superieure wijze de 'wansmaak' de grond in kon boren.

Na een reeks kleinere conflicten binnen de redactie over zijn ongegeneerde, uitdagende stijl barstte in 1865 de bom. Huet had een stuk over de almanak 'Aurora', die jaarlijks aan de koningin werd opgedragen, gegoten in de vorm van een soireetje aan het hof. Hij voerde koningin Sophie keuvelend ten tonele, waarop het koninklijk huis liet weten dit 'hoogst ongepast' te vinden. Bracht dit al het schaamrood op de kaken van zijn mederedacteuren, erger werd het nog toen Huet in hetzelfde nummer Thorbecke gemakzucht verweet. Het gekrakeel van zijn mederedacteuren dat daarop volgde, dreef Huet ertoe De Gids te verlaten. Potgieter, de man van het eerste uur, volgde hem loyaal.

De daaropvolgende periode was voor De Gids achteraf bezien een paradoxale: het tijdschrift werd tegelijk minder interessant én succesvoller. Na de grondwetswijziging van 1848 was de redactie al een meer politieke koers gaan varen, maar na het vertrek van de literair gerichte Huet en Potgieter werd dat evident. De Gids was een liberaal-politiek blad geworden, niet langer 'objectief', maar openlijk op de hand van Thorbecke. Het abonneeaantal steeg aan het eind van de eeuw tot tweeduizend en het blad had invloed in de hoogste kringen: het was een sjiek podium voor hoogleraren, theologen en politici. Toch legt Aerts de vinger op de zere plek, als hij schrijft: “Voor de scheppende literatuur was deze periode van liberaal enthousiasme geen bloeitijd.”

Het is ironisch dat Aerts via een omweg duidelijk maakt waarom veel van de Gids-auteurs uit het literaire geheugen zijn gewist. In eerste instantie zijn de hoogst individuele, haast anti-maatschappelijke dichters van Tachtig daarvoor verantwoordelijk. Kloos en Verwey gebruikten in De Nieuwe Gids de oude, eerbiedwaardige Gids als kop van jut. In een kleine tien van in totaal 536 bladzijden tekst weet Aerts de mythische tegenstelling met de Tachtigers overigens nog aardig te nuanceren.

Nee, in laatste instantie geeft juist de kracht waarmee Remieg Aerts de grootburgerlijke, liberale cultuur beschrijft, haarscherp aan waarom de schrijvers van De Gids - een enkele uitzondering daargelaten - haast voorgoed verdwenen zijn. In feite voorspelt Aerts al vroeg in zijn doorwrochte proefschrift de tragische conclusie: “De lange geschiedenis van De Gids is op een enkele uitzondering na een parade van oppassende en verstandige heren, die zich misschien in hun studententijd weleens aan de dan gepaste onmatigheid hadden overgegeven, maar dan daarna dit boek hadden gesloten en verder vervuld waren van het streven om steunpilaren van de maatschappij te zijn.”

De waarheid, 'die wondt om te heelen', was dat De Gids in het fin de siècle terug was bij de middelmatigheid die Potgieter zo graag had willen bestrijden.

mailIcon print |