recensie Erik Fokke e. a.: De broze muze - Creativiteit en ziekte. Boom/Belvédère, Amsterdam; 167 blz. - f 29,50. Herbert Hendin: Seduced by Death - Doctors, Patients and the Dutch Cure. Norton, Londen; 256 blz. - £20. (Vert. Peter van der Kaaij: De dood als verleider - Een buitenlandse visie op de Nederlandse euthanasiepraktijk. Gottmer, Haarlem; 224 blz. - f 29,90.) Guido Lauwaert (red): Memento mori. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam; 240 blz. - f 34,90. Frans Meulenberg en Jannes van Everdingen: Het grote sterven - Thema's en taferelen rond de dood. Boom/Belvédère, Amsterdam; 192 blz. - f 32,50. Christopher Sandford: Kurt Cobain. Meulenhoff, Amsterdam; 368 blz. - f 39,90.
Een verband te bewijzen tussen kunst en gekte is bijna net zo hachelijk als een samenhang aantonen tussen creativiteit en ziekte. Wie doodgaat, zoekt eerder zijn heil bij de dokter of de dominee dan bij de wetenschap.
Alles van waarde is weerloos, schreef Lucebert. Da's waar, maar soms blijkt van het broze ineens een onvoorstelbare kracht uit te gaan. Zoveel wordt duidelijk in 'De broze muze' en 'Het grote sterven', waarin Van Everdingen cum suis tal van wetenswaardigheden voorbeeldig bijeengesprokkeld heeft.
Het omgekeerde is ook waar, zoals al uit de inleiding van 'De broze muze' blijkt. Kunst brengt groot verdriet met zich, al klinkt dat een tikje romantisch. De Deense filosoof Sören Kierkegaard zag dichters als ongelukkige wezens wier hart verscheurd werd door verborgen pijn en smart, maar met lippen zo ongewoon gevormd dat hun hartenkreten voor buitenstaanders als lieflijke muziek klonken. De Noorse schilder Edvard Munch zou, zei hij zelf, “zonder ziekte en doodsangst een stuurloos schip zijn geweest”. Voor Thomas Mann waren grote kunstenaars gelijk aan grote invaliden.
Een genuanceerd beeld geeft Van Everdingen van de hartafwijking, de straatvrees en het vermijdingsgedrag van de Nederlandse schilder Dick Ket (1902-1940), wiens zelfportret op de cover staat. Verondersteld wordt dat Ket met zijn zelfportretten getuigenis wilde afleggen van zijn ziekte; de cyanose ('blauwzien' door zuurstofgebrek) heeft hij daarin evenwel steevast 'verdonkeremaand'.
Ook de bijdrage van Frans Meulenberg over de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) is zeer de moeite waard. De laatste twintig jaar van Joyce's leven stonden in het teken van dreigende blindheid, de schizofrenie van zijn dochter Lucia én het moeilijkste boek uit de wereldliteratuur, 'Finnegan's Wake'. Donkere nacht kan bij Joyce drie dingen betekenen: blindheid, krankzinnigheid, dood.
Een enkele keer zakt het peil van het betoog tot het niveau van de keukentafelpsychologie, zoals in het relaas over Egon Schiele (1890-1918), wegbereider der onverbloemd erotische kunst, die zichzelf almaar in de spiegel bekeek, wat verband hield met een gestoorde relatie met zijn moeder. Ook Schiele grossierde in zelfportretten. “Door zijn kunst vond hij een spiegel die hem leerde omgaan met zijn gestoorde zelfbeeld.” Schiele overleed overigens niet aan zijn narcisme, maar aan de gevolgen van de Spaanse griep.
Ontroerend is de geschiedenis van de Poolse componist Frédéric Chopin (1810-1847). Evenals Mozart was hij een wonderkind, dat zijn omgeving verbaasde; zonder oefening speelde hij pianostukken die hij anderen had zien uitvoeren. Evenals Schumann deed hij iets vreemds met zijn vingers: hij sliep met houten spalkjes ertussen om een greep van tien toetsen te kunnen bereiken. Af en toe moest hij opdraven om grootvorst Constantijn in zijn paleis Belvédère te kalmeren tijdens een woedeaanval. Tot het einde van zijn schooltijd verbleef Chopin in Warschau, waar hij Paganini hoorde spelen tijdens de kroning van tsaar Nicolaas I tot koning van Polen. Als 19-jarige behaalde hij in Wenen zijn eerste succes. Twee jaar later vestigde hij zich in Parijs; hij zou, mede door de omwentelingen in zijn vaderland, nooit meer op Poolse bodem terugkeren. Na zijn dood keerde alleen zijn hart in een urn terug naar Warschau, waar het bijgezet werd in de kerk van het Heilige Kruis. Zijn lichaam ligt begraven in Parijs, op Père-Lachaise.
Als kind baarde Chopin met zijn zwakke gezondheid zijn ouders al veel zorgen. Zijn zuster Emilie overleed, 14 jaar oud, aan een longziekte die voor tuberculose werd aangezien. Volgens zijn biografen zouden de eerste symptomen daarvan zich ook bij Chopin al in zijn jeugd hebben geopenbaard; zelf zou hij hieraan pas hebben gedacht toen hij in 1839 voor herstel van zijn longziekte met de schrijfster George Sand en haar twee kinderen een reis naar Mallorca maakte.
Tijdens een lange wandeltocht over een zwaar terrein raakte hij zo uitgeput dat hij een aanval van bronchitis kreeg en in bed moest kruipen. Door de rook uit de kachel begon hij nog meer te hoesten en zelfs bloed te spugen. De drie beste artsen van het eiland bezochten hem: “De eerste rook aan het slijm dat ik had opgegeven, de tweede klopte op de plaats waar het vandaan kwam, en de derde luisterde op die plaats terwijl ik hoestte. De eerste zei dat ik binnenkort zou creperen, de tweede dat ik aan het creperen was en de derde dat ik al gecrepeerd was.”
Chopin accepteerde de diagnose tuberculose niet. Hij verbleef een jaar op Mallorca en voltooide er zijn preludes en andere werken. Gezond is hij nooit meer geworden. Het karakter van zijn relatie met Sand veranderde langzaam van hartstocht in compassie. Acht jaar lang heeft zij voor hem gezorgd. Juist in die tijd componeerde hij de mooiste werken. Door de losbandige levenswijze van de schrijfster en haar verwaarlozende houding jegens haar dochter, groeiden Chopin en George Sand langzaam uit elkaar. Ten slotte gingen ze met ruzie uiteen.
Terug in Parijs schreef hij nog twee schitterende pianowerken: de Baccarole, opus 60, en de Polonaise-Fantasie, opus 61. Toen zijn productie als componist daarna afnam en in februari 1848 in Parijs de revolutie uitbrak, waardoor zijn pianoleerlingen wegbleven en zijn inkomsten wegvielen, zag Chopin zich genoodzaakt een concerttournee door Engeland te maken. Een half jaar later keerde hij uitgeput in Parijs terug. Al het in Engeland verdiende geld moest hij gebruiken om doktersrekeningen te betalen. Enkele maanden later was hij dood. Jammer genoeg is het sectierapport bij een brand verloren gegaan. Volgens Van Everdingen leed de componist niet aan tuberculose, maar aan chronische bronchitis met bronchi-ectasieën en longemfyseem. Dit zou verklaren dat hij niet tegen inspanning kon en aan periodieke hoest- en koortsaanvallen leed, die mogelijk een allergische basis hadden. Als andere mogelijkheid noemt de auteur mucoviscidose (taaislijmziekte), een erfelijke aandoening die gepaard gaat met veelvuldige longontstekingen. Chopins steeds terugkerende buikklachten zijn dan ook meteen verklaard, aangezien bij deze aandoening de alvleesklier slecht werkt. Tegen de diagnose mucoviscidose pleit echter dat de meeste patiënten de puberteit niet eens halen.
De muziek die Chopin componeerde, kreeg mede haar vorm door overgevoelige volharding en sterke melancholie, schrijft Van Everdingen. Maar een duidelijk verband tussen ziekte en creativiteit ziet hij niet. “De treurige ondertoon van zijn composities lijkt meer een voortdurend heimwee naar zijn vaderland en tragisch afgelopen liefdesaffaires uit te drukken dan een zwakke gezondheid.”
'Leuk doodgaan bestaat niet, wél redelijk doorgaan', poneerde de Nederlandse verpleeghuisarts Bert Keizer onlangs in het tv-programma Buitenhof. Keizer heeft ongetwijfeld gelijk. Ik denk dat hij 'Het grote sterven' niettemin een heel 'leuk' boek zal vinden. Het sterven is er niet van de lucht; het lijkt soms wel alsof een mens niets beters te doen heeft. Groots en meeslepend willen sterven, bijvoorbeeld door met veel theater de gifbeker te ledigen zoals Socrates, of ergens op een hotelkamer na te veel pillen te hebben geslikt zoals Cesare Pavese, of, zoals Primo Levi deed, door zich van een trap te storten - het staat er allemaal in. Overigens sterven de meeste mensen niet als held of martelaar, noch in het zieken- of verpleeghuis, maar gewoon thuis, te midden van familie.
Hoe slecht de Amerikaanse psychiater Herbert Hendin de Nederlandse stervenspraktijk begrijpt, bewijst hij in 'Seduced by Death - Doctors, Patients and the Dutch Cure', inmiddels in vertaling verschenen. In Nederland zou veel te weinig oog zijn voor pijnbestrijding, beweerde hij onlangs in NRC Handelsblad. De Nederlandse arts zou de dood te gemakkelijk als een oplossing beschouwen. “Euthanasie wordt in Nederland toegepast zonder dat de arts nog twijfelt.” Wat erg. Maar volkomen onjuist. Nooit met Keizer gesproken zeker. Is men eenmaal overleden, dan wordt de dokter geroepen om de dood vast te stellen, waarna de begrafenisondernemer en een dominee of priester worden gebeld. Maar wat staat niet-gelovigen te doen?
Voor hen stelde de Vlaming Guido Lauwaert het leerzame en mooi geschreven 'Memento mori' samen: “De mens vecht tegen de tijd, hij laat zich er sinds het neolithicum door opjagen en verslinden, maar verliezen doet hij altijd, zelfs al richt hij net als de dichter Horatius een gedenkteken op dat duurzamer is dan brons. . .” De crematie komt aan bod, in historisch perspectief, maar ook asverstrooiing, suggesties voor toespraken, gedichten, (klassieke en pop) muziek, en wat je kunt zeggen bij een overleden kind of een geval van zelfmoord.
Alles is natuurlijk beter dan 'Waarheen, waarvoor?' van Mieke Telkamp. Maar of 'Der Tod und das Müdchen' van Schubert beter zal bevallen dan 'Alone Again Naturally' van Gilbert O'Sullivan of 'Mellon Collie and the Infinite Sadness' van de groep Smashing Pumpkins, blijft een kwestie van smaak.
Nergens, zelfs niet als muziekaanbeveling, kwam ik de Nirvana-zanger Kurt Cobain tegen, die op 5 april 1994 zelfmoord pleegde. Volgens de (nogal teleurstellende) biografie van Christopher Sandford sloot Cobain zich die dag in zijn kamer boven de garage op, schreef een zelfmoordbrief, spoot zich vol met heroïne, stopte de loop van een geweer in zijn mond en haalde de trekker over.
Enerzijds zien we Cobain als een paranoide, egoïstische drugsverslaafde, anderzijds als een gevoelige songwriter, maar of hij ooit bij een zielenknijper is geweest en of hij lithium heeft geslikt (bijvoorbeeld vanwege een manisch depressieve ziekte), blijft in het ongewisse. Je moet de dood niet wegstoppen en verdriet moet je delen. Een van de allermooiste nummers van Nirvana heet Lithium: I'm so happy because today I've found my friends. . .They're in my head I'm so ugly, but that's okay,' cause so are you...
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.