recensie Na een dag rondsjokken tussen de resten van het Forum Romanum was onze geschiedenisleraar het zat. Hij had nu wel genoeg oude stenen gezien, zei hij tegen de andere Rome-gangers. Hij wilde naar het terras.
Typisch Nederlands, zo'n opmerking: ruïnes zijn in ons land niet populair. Een ruïne is ouwe troep, past niet in de Hollandse schoonmaakdrift en opruimwoede. Wij schrobben onze stoep, wij krabben het onkruid tussen de straatstenen weg. En als we toch aan een ruïne hangen, restaureren we haar vaak zo dat ze voor de eeuwigheid niet verandert.
We hebben wel ruïnes in Nederland, hele mooie zelfs. Maar het zijn er zo weinig. En vergeleken met de Thermen van Caracalla in Rome, Tintern Abbey in Engeland of de Drachenfels bij Bonn zijn de onze ook van die miniatuurtjes: vaak bescheiden van omvang, zeker in onze vooroordelen.
We hebben natuurlijk ook een onderontwikkeld gevoel voor romantiek. De vergankelijkheid die zo'n vervallen bouwwerk symboliseert, de weemoedigheid die het oproept - daar willen we niks mee te maken hebben. Een tranentrekker, en dat ís een ruïne toch, past niet onze koele-kikkerwereld.
En toch zouden we er veel meer aandacht voor moeten hebben, vindt directeur A. Asselbergs van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Naast de groeiende interesse die er voor het verleden is waar te nemen, verdient ook de ruïne verzorging en bescherming. Om allerlei redenen is die zorg de moeite waard. Vanwege de bijzondere stemmingen die een ruïne kan oproepen - de een wordt er treurig van, de ander ontroerd. Vanwege de inspiratie die zo'n bouwval geeft, aan schilders en dichters bijvoorbeeld. Vanwege de flora en fauna die een eigen leven kunnen leiden en die van de ruïne een bouwwerk in beweging maken. En vanwege de fantasie die erdoor losgemaakt wordt, vooral over de vraag hoe ze er in volle glorie heeft uitgezien.
PUINHOPEN
Onder leiding van A.G. Schulte hebben zeven auteurs een inventarisatie gemaakt van Nederlandse ruïnes. Van echte en van minder echte ruïnes. Van puinhopen die 'geautoriseerd' zijn (historische ruïnes, minstens vijftig jaar oud) en van bouwresten die méér zijn dan opgemetselde fundamenten. Er zijn scherpe criteria aangelegd, er is veel kaf van het koren gescheiden. Van de 'rest-monumenten' zijn er eenentachtig goed bevonden in 'Ruïnes in Nederland' afgebeeld en toegelicht. Een onwaarschijnlijk groot aantal voor een land, waarvan de inwoners er amper vijf kunnen opnoemen.
De meeste zijn in het oosten en zuiden gesitueerd. Groningen, Friesland en Drenthe hebben er geen één. Utrecht, Zeeland en Noord-Brabant scoren heel mager. In Noord- en Zuid-Holland liggen ze (of staan ze) voornamelijk in het gebied achter de duinen. En verreweg de meeste zijn terug te vinden in het stroomgebied van Maas, Waal, Rijn en IJssel. Het leeuwendeel van de ruïnes wordt gevormd door de overblijfselen van kastelen en adellijke huizen, gevolgd door de resten van kerken en kapellen.
De redactie van het lijvige boek (waarvoor Asselbergs het voorwoord schreef) heeft getobd met een aantal grensgevallen. Wel Brederode (Santpoort), geen Dever (Sassenheim) bijvoorbeeld. Omdat van het kasteel Dever de donjon volledig is hersteld en de fundamenten van de later aangebouwde vleugels zijn opgehoogd, terwijl van het ook gedeeltelijk herstelde Brederode delen als ruïne zijn blijven liggen. Sommige ruïnes hebben eeuwen bedolven onder aarde gelegen, maar zijn inmiddels 'herboren', zoals verdedigingswerken in Hulst en Sluis. Huis te Woude bij Slikkerveer is ook een twijfelgeval, omdat de muren pas veel later zijn opgemetseld op de fundamenten - een trukendoos van de monumentenzorg.
ZANDKASTEEL
Interessant is de vraag of ruïnes hersteld moeten worden of dat de tand des tijds vrij spel moet krijgen. Wat er in het laatste geval gebeurt, is te zien aan een zandkasteel dat een dag en een nacht op het Noordzeestrand wordt overgeleverd aan weer en wind: dat is de essentie van de ruïne. “Wat een dolzinnige neiging om wat in verval geraakt is, te willen herstellen”, schreef Gustave Flaubert in 1853 al in een pennenstrijd tegen de neiging om ruïnes te willen reconstrueren. “Laat toch creperen wat niet meer leven wil. Een paar ruïnes alstublieft, die zijn een noodzakelijk onderdeel van het historische landschap.”
Het is een mening. Er zijn ook mensen die kasteel De Haar in Haarzuilens mooi vinden, het prototype van een getransformeerde ruïne. P.J.H. Cuypers was de architect, of beter: de hersteller van een object dat nooit bestaan hoeft te hebben, van een droomkasteel waar bijvoorbeeld Marco van Basten zijn 'sprookjeshuwelijk' sluit.
'Ruïnes in Nederland' is een even uitgebreide als verrassende inventarisatie van wat er in dit zakelijke landje aan rest-monumenten bestaat. Een prachtige verzameling van weerloze en kwetsbare herinneringen aan het verleden. Ongetwijfeld valt er wat af te dingen op de selectie. Alsof de Broerenkerk in Bolsward geen ruïne is (afgebrand in 1985)! En de stadspoort van Sluis dan! Maar er blijven er nog genoeg over om bij weg te treuren. Of weg te genieten, zoals Gerrit Komrij:
'Gebouwen zijn aandoenlijk als ruïne. Hun ziel ligt bloot. paleizen, kerken, banken, Geen sterveling die weet waartoe ze dienen. Je hoort dus overal de luide klanken Van tuba en trompet en mandoline En ziet er mensen langs de straten trekken Met feestgetoeter en plezier voor tienen. Dit is een stad van louter lachebekken.
Hun meester is de Dood. Wat kan ze deren? Wie maakt zich druk om eer en geld verdienen? Ze dansen tot de ochtend, en verteren Veel spijs en wijn, en aspirine.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.