recensie Hendrik van Teylingen: Bij de gratie van de dichtspier. 83 verzen en rijmen. Amsterdam, De Bezige Bij; 92 blz. - ¿ 36,50.
Hij zegt dat ook gewoon in zijn zojuist verschenen vierde dichtbundel, 'Bij de gratie van de dichtspier', en wel in de openingsregel van het achtste gedicht: 'Lichtheid is mijn banier'. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat de kietelingen van genoemde dichtspier menigmaal op de lachspieren werken van de lezer, die, aangesproken als 'u' of 'gij', vaak nadrukkelijk in het humoristische verbond met de dichter en zijn tekst is opgenomen:
' 'k Leg deze regel voor u neer Als drempeltje waar overheen Uw geest zojuist naar binnen is Gestruikeld in deze strofe'.
Lepe regels zijn dit, waarin de dichter ons met speels gemak daar krijgt waar hij ons hebben wil: in het gedicht namelijk, waar hij zíjn zaak - de poëzie - even tot de ónze maakt.
Elk verweer hiertegen is bij voorbaat kansloos. Al lezende voltrekken wij zelf het vonnis en vallen samen met het clownesk struikelende personage in de piste van dit gedicht. Iedere distantie is weg en het hooggeëerde publiek lacht welbeschouwd om zijn eigen buitelingen. Alleen de dichter kan ons uit deze toch enigszins benarde, en zeker dubbelzinnige situatie bevrijden. Hij doet dat, in de slotstrofe, zo:
'(. . .) Ga maar weer Voordat dit vers om u versteent Tot zoveelste gevangenis Van dichters die geesten roven'.
Zo mogen we dan, bij de gratie van de dichter en diens dichtspier, het gedicht ook weer uit voordat het versteent en ons zijn zware boeien slaat.
Van Teylingens voorlaatste bundel verscheen in 1974. Hij heeft als dichter dus ruim twintig jaar gezwegen. Wel vertaalde hij in deze periode onder meer de vele duizenden verzen tellende mystieke Indische leerdichten 'Bhagavadgita' en 'Bhagavata-purana'. Uit die intensieve omgang met de oosterse mystiek lijkt hij als een aanhanger van het onbezwaarde mens-zijn te voorschijn te zijn gekomen.
In 'Bij de gratie van de dichtspier' gidst hij ons voortdurend een vederlichte wereld binnen om ons er vervolgens met een kwinkslag ook weer uit te zetten. Het 'jeukelt' en het 'twinkelt' in deze poëzie, die ons per 'odorofoon' wordt 'doorgefleurd' en die de zwarigheden des levens wel kent, maar niet erkent.
'Kilometers inkt' en 'hectaren wit papier' worden in stelling gebracht om een lichtheid zichtbaar te maken die het leven doorgaans zo goed voor ons verborgen houdt. Zijn grappen en grollen lijken escapistisch maar zijn het juist niet. Zij beogen het althans niet te zijn:
“Zeg niet: 'Je bent een escapist'. / Dan lijkt het net of u niet wist / Dat we ons bevinden in een droom / Zo vluchtig als een wolkje stoom”.
Alle gedichten in deze bundel bestaan uit drie kwatrijnen en ze rijmen en gekscheren er zo lustig op los dat je je bij het lezen soms terugwaant in de tijd van de domineeslyriek. Ze zijn bovendien zo toegankelijk dat je je met recht kunt afvragen of dit alles nog iets meer om het lijf heeft dan virtuoze rijmelarij alleen. We zijn er zo aan gewend geraakt dat de poëzie de dingen compliceert en onder hoogspanning zet, dat een vrijuit stromen van de woorden tussen dichter en lezer ons in verwarring brengt. Je zou kunnen zeggen dat de ontspannen wijze waarop de woorden bij Van Teylingen stromen er de aangename spanning van uitmaken. In dit gedicht bijvoorbeeld, over de dichter als schenktuit:
'Men zegt dat ik een dichter ben Maar in het echt ben ik een tuit Waardoor een stroom van oneigen Geluid over papier uitvloeit
En er in versregels opdroogt. Hoe dat in zijn werk gaat mag God Weten, ik bemoei me er niet mee,
De tuit is dienstbaar aan de pot. Schenken dus en ervoor zorgen Dat ik me leeg en open houd Zodat geen komma haken blijft En geen punt de doorstroom afsluit'.
De dichter is gespecialiseerd in 'het ontvangen van verzen', zo heet het elders. Vandaar in het zojuist geciteerde gedicht de term 'oneigen geluid'. Hij geeft aan de lezer iets door dat hem zelf ook maar door een hogere instantie is aangereikt.
Deze visie op het dichterschap is verre van nieuw, maar het ontbreken daarbij van plechtstatigheid enerzijds en gemakzuchtige ironie anderzijds is toch wel verfrissend. Van Teylingen weet met aardse lichtvoetigheid de onaardse bronnen van de poëzie aan te boren. Of die onaardse bronnen überhaupt bestaan, is de vraag, maar hij weet de suggestie althans vaak te wekken. Hij lijkt me de enige dichter hier te lande die een grappig gedicht zou kunnen schrijven over Gods grote teen dat toch van begin tot eind serieus genomen kan worden. Hij is de meest respectabele dichtende grapjas van het moment.
Waarmee ik hem overigens wel loodzwaar heb geïnterpreteerd, met voorbijgaan van veel nonsensicale woordspeligheden, rijmkolder en zo-maar-grapjes waaraan deze bundel óók rijk is. Men leze hem zelf, hij is anders dan anderen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.