recensie Met de geweldige toename van het naoorlogs toerisme heeft ook het literair toerisme een enorme vlucht genomen. In vorige eeuwen gingen bevoorrechte schrijvers nadrukkelijk op Wanderjahre om hun horizon te verruimen met vreemde en exotische culturen. Rond de eeuwwisseling was het literair reizen nog altijd een privilege voor de happy few. De verslagen van bijvoorbeeld Couperus over zijn bezoek aan Japan, of van Marcellus Emants aan Zweden, fungeerden voor een belangrijk deel als eye-opener voor lezers die zelf de kans niet hadden zulke verre reizen te maken.
Het massatoerisme heeft alles veranderd. De gemiddelde schrijver van deze generatie is niet alleen een bereisde Roel maar zal er ook al gauw een publicatie aan hebben gewijd. Hij heeft een paar werelddelen gezien en draait zijn hand niet om voor de meeste Europese landen, net zomin overigens als zijn lezers, die door hem niet langer zozeer hoeven te worden voorgelicht als wel ingewijd in de bijzondere blik die zo'n cultuurdrager op de moderne pleisterplaatsen werpt.
Het genre reisliteratuur kent zodoende een grote bloei, al heb ik de indruk dat de hausse enigszins voorbij is. Schrijvers en lezers genieten ervan. Maar door de popularisering van het genre is er ook enige slijtage opgetreden. De meeste reisboeken beantwoorden aan een soort sjablone: impressies van culturele aard en vage betekenisverlening aan plekken worden afgewisseld met persoonlijke anekdotes.
Stefan Hertmans is een schrijver die graag enige afstand bewaart tot het vulgaire. Hij is een typische intellectueel, die zich niet als de eerste de beste toerist laat meeslepen door het nieuwe maar verantwoording probeert af te leggen van wat hij ziet.
Hij reist niet onbevangen maar zeult een, vooral in de jaren zestig en zeventig gevulde, koffer cultuurfilosofische bagage met zich, waarmee hij zijn nieuwe blikvelden tegemoettreedt: Walter Benjamin, Adorno, Heidegger, Peter Handke. Bijgevolg staat ook niet bijvoorbeeld de metafysische ervaring van het landschap op zijn programma, het onverwoordbare, maar de betekenisverlening. Wat wil de vreemde plek zeggen, wat drukt ze uit.
In 'Steden, verhalen onderweg', een essaybundel waarvan het onderwerp niets te raden overlaat, verraadt hij zijn verlangen naar betekenis als volgt wanneer hij zijn angst voor juist het betekenisloze uitdrukt, bij een uitzicht in het Australische Adelaide: “Het sneed me de adem af. Ik kon dit niet aan, deze leegte zonder een tijdsbesef of een ruimtegevoel dat zinvol omkaderde wat ik zag. Ik kon dit zonder semiotisch kompas kijken naar een constellatie die zich niet wilde vormen, niet verdragen, want het verscheen als een afgrond in mijzelf. Ook daar was het zondagmiddag, rond vier uur, en ik dacht dat iets in mijn hoofd zou knappen en beginnen te bloeden en mij voor altijd waanzinnig zou maken, zo verward en leeg en betekenisloos als ik me voelde.”
Het kan bij zo'n horror vacui haast geen toeval zijn dat Hertmans zich graag over steden uitlaat. Dat zijn in onze tijd immers de plaatsen van de mens bij uitstek, daar waar de betekenis van het menselijk bestaan zich in alle diversiteit ten volle toont. In zijn inleidende hoofdstuk, 'Check in', zegt Hertmans: “Toch blijft er aan het concept van de stad een diepe humanitaire betekenis kleven, die nooit uit het oog mag worden verloren. De stad is het territorium van de menselijke communicatie in zijn meest geavanceerde vorm.”
De steden die Hertmans bezoekt zijn dan ook allemaal betekenisvol, ze zijn met hun verschillende karakters in de eerste plaats menselijke monumenten, vaten vol betekenisvolle tegenstellingen waar het heden samenkomt met het verleden dat ze herbergen. Tübingen, Triëst, Dresden, Bratislava, Wenen, Marseille, het zijn geen modale oorden maar een soort iconen met hun eigen, veelal verscheurde identiteit. Ze vertegenwoordigen culturele breukvlakken.
Ik neem aan dat Hertmans er ook komt om 'domweg gelukkig' doorheen te lopen maar zijn verslagen zijn toch vooral registraties van intellectuele gewaarwordingen. In Bratislava bijvoorbeeld proeft hij het contrast van 'opgepept, hip kapitalisme tegenover oud, geheugenloos roest' en dat verleidt hem dan weer tot de volgende notitie: “Een kloof waaruit een ingewikkelde waarheid opstijgt én die van het anachronisme.”
Hertmans reist vooral ook aan de hand van veel literatuur. In Salzburg denkt hij aan Trakl. In Wenen aan Kafka. In Triëst aan Svevo, Joyce en Winckelmann. Steeds toetst hij zijn ervaringen aan de geweldige belezenheid in zijn hoofd.
Dat zou irritant kunnen zijn als Hertmans een pure snob was maar dat is hij niet, zijn belezenheid is authentiek en zijn stijl, die niets smeuïgs heeft maar daarentegen naar juiste formuleringen zoekt en een zekere moeizaamheid niet uitsluit, zorgt er ook voor dat het allemaal niet te 'glossy' wordt, hét delict van veel hedendaagse literaire reizigers.
Karakteristiek is Hertmans' aanval op Regis Debray, die in zijn boek 'Contre Venise' zijn pijlen richtte op de snobistische Venetië-bezoeker en hem ter verbetering naar Napels stuurt. Van Hertmans, ook een kritische linkse denker, zou je misschien instemming verwachten met de afwijzing van zo'n geheid toeristenoord, maar nee, hij ontmaskert Debray als juist een super-snobist: “De tragekomedie van het spel dat Debray met ons en met zichzelf op die manier speelt, schuilt in het feit dat hij niet lijkt door te hebben dat hij precies de karikatuur die hij de Venetië-ganger verwijt, radicaal doorvoert en zo gewoon de volgende stap van élke vermoeide Venetië-ganger incarneert: dat hij namelijk ook nog op zoek is naar zijn eigenste beeld van de Ervaring, geprojecteerd in een stad.”
Veel anekdotiek stopt Hertmans niet in zijn reisverhalen, al duikt hier en daar een reisbegeleidende minnares op. Als hij in een Slowaakse trein quasi-vanzelfsprekend een stelletje Slowaakse pubers bekijkt, proef je toch nog altijd dat ze voor hem model staan voor een boeiend verscheurde maatschappelijke werkelijkheid. Ook van lyrisch zwelgen moet hij niet veel weten. Geen vergeefse pogingen een of ander mysterium tremens te benoemen. In welke stad hij zich ook bevindt, Hertmans blijft er met zijn gedachten bij, al zal hij ze soms pas na afloop hebben geformuleerd, immers: 'Reizen is vaak achteraf iets vinden wat je niet had gezocht.'
Het literaire reisverslag is aan inflatie onderhevig, schreef ik. Het genre is gemakzuchtig geworden en ligt een beetje op straat. Maar Hertmans slaagt er voor de duur van zijn reisverhalen in het weer in kritisch beheer te nemen; hij verloochent zijn intellectuele kijk niet en leidt zijn lezer juist daardoor langs nieuwe uitzichten die vooral ook inzichten blijken te zijn. Na afloop heb je overigens niet het gevoel dat je ook hoognodig naar Bratislava of Amsterdam moet, maar dat het geen kwaad kan Adorno en Benjamin weer eens te lezen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.