*

 

'Een dorpsgek, zeggen ze, maar er zit toch systeem in'

ONNO BLOM − 03/10/97, 00:00

recensie “Ik heb nooit één letter aan je geschreven waarbij ik heb gedacht dat 't van enige waarde zou kunnen zijn voor 't nageslacht”, schreef de acteur Willem Nijholt op 11 april 1972 aan Gerard Reve. Kennelijk is Nijholt vijfentwintig jaar na dato op zijn schreden teruggekeerd. In 'Met niks begonnen', een correspondentie uit de jaren 1967-1991, staan 22 van zijn brieven gebroederlijk naast 44 epistels van Reve afgedrukt.

Ondanks de publicatie van al die 'waardeloze letters' lijkt Nijholt in zijn toenmalige bescheidenheid niet onoprecht. Op het moment dat hij erachter kwam dat Reve zelfs kopieën van zijn brieven naar de uitgever Johan Polak stuurde om te worden opgeslagen in een 'Geheim Liefdesarchief' vond Nijholt dat op z'n minst vreemd. Reve maakte zijn dubbele bedoelingen ook niet gemakkelijker te verteren door Nijholt op het hart te drukken dat een brief van hem per stuk wel 45 gulden waard was. De ironisch-kitscherige titel 'Met niks begonnen' weerspiegelt - naast de roem die beide heren in het najaar van hun leven hebben bereikt - mooi de plundering van het Geheim Liefdesarchief voor wel zeer aardse motieven.

Het opvallende aan dit dunne bundeltje ter verkrijging van een dikke beurs is dat niet alleen de brieven van Reve zelf, maar ook die van zijn correspondent zijn opgenomen. Die beslissing was ook goed te begrijpen. Tegen Reve, voor wie het schrijven van brieven een levensnoodzaak is en een onverbrekelijk deel van zijn literaire werk, legt vrijwel iedere schrijver het af. Tegen het geweld van de verpletterende stroom van diepe inzichten en platheid, 'het kompt nooit meer goed', zelfbedachte woorden als verrekijk (televisie) en praathoorn (telefoon), een golf oprechte kwaadheid en een gezonde dosis Reviaanse humor is ook Nijholt niet opgewassen. Nijholt schrijft, op een pijnlijk gedichtje in een van zijn laatste brieven na, niet verschrikkelijk. Maar verschrikkelijk slim of ontroerend is het evenmin. Een tikje beschaamd geeft hij Reve zelf toe: “Jij bent een kunstenaar - ik een artiest.”

Het is jammer dat nu juist het artiestendom, het theater, geen inzet van hun briefwisseling is gebleken. Ik had graag de opvattingen over toneel van beide heren tegenover elkaar zien staan. Reve liet zich in de jaren zestig in het literaire tijdschrift Tirade nogal eens uit over het theater. Naar aanleiding van de opvoering van 'Tanchelijn' van Harry Mulisch schreef hij over het experimenteel toneel: “Een taart die in de oven verbrand is, of waarin soda in plaats van suiker is verwerkt, is niet te eten, hoeveel dure eieren er door het eten mogen zijn geklopt.” Ik ben benieuwd wat Nijholt daarvan zou hebben gevonden.

Maar helaas, in 'Met niks begonnen' maken de heren aan dit soort hoogdravende onderwerpen geen woorden vuil. Vergelijk je deze brieven van Reve met andere uit dezelfde tijd, bijvoorbeeld die aan Kunstbroeder Simon Carmiggelt in 'De Taal der Liefde', dan delven de pasgebundelde brieven in de meeste gevallen het onderspit. Reve had met Carmiggelt een waarachtig onderwerp bij de kop, het schrijven zelf, en deed daar schrijnende confessies over.

Nee, van soortelijk gewicht moet 'Met niks begonnen' het over het geheel genomen niet hebben. Net als in de 'Brieven aan Matroos Vosch', die afgelopen voorjaar verschenen, gaat deze correspondentie voornamelijk over de herenliefde. Nijholt en Reve leerden elkaar eind jaren vijftig kennen op het COC in Amsterdam. Helaas zijn juist de brieven uit de vroege periode verloren gegaan. Uit de noten en kleine aanwijzingen in de rest van de bundel blijkt dat Nijholt Reve machtig aantrekkelijk vond, maar dat de schrijver, die toen meer dronk dan goed voor hem was, daar maar weinig van moest hebben. Nijholt herinnert Reve eraan door hem voor 'sambaljurk' te zijn uitgemaakt. Waar een glaasje al niet goed voor is.

Pas een tiental jaren later vatte Reve, op papier althans, vlam. Nijholt constateerde de toenadering met een mengeling van lichte verbazing en angst. Maar Reve was niet meer te remmen. In zijn brieven bestreek hij het hele spectrum van de schrijver als minnaar. Om te beginnen was Reve ongeëvenaard geil. “Ik zou dolgraag mijn raket naar de eeuwigheid in jouw Geheime Opening tot ontbranding willen brengen.”

Reve sliep met een afgedankte broek van Nijholt, en drukte die tegen zijn gezicht als hij zijn Deel beroerde. De tastbare bewijzen van geliefden betekenen buitengewoon veel voor hem. Hij bedelde, zoals eerder in brieven aan zijn geliefde Tijger, Woelrat en Matroos om foto's en kledingstukken. Omgekeerd drukte Reve onderaan een brief weleens een kus van stempelinkt of voegde hij een envelopjes met haar van alle delen van het lichaam bij. Zelfs de excrementen van de Volksschrijver kregen plechtig een haast heilige lading mee. Zijn bolus prees hij aan als “een reklame-aanbieding, zoals men die uiterst zelden meer tegenkomt: een ongehoorde tulband als een Zandvoortse zandtaart; daarop een klein model dameshoed; & daarop nog een soort wegwijzer of wafel of waaier, voor de duiding waarvan er geen priesters meer zijn.”

Naast geil is Reve ook teder - “Lief dier, ik ben je meest onderworpen Meester uit de wereldgeschiedenis van de Liefde.” - en jaloers. Nijholt moest streng gestraft worden voor verkeer met kleurlingen en kreeg een streng verbod opgelegd zich vrijheden te veroorloven met 'een of andere dikke hulpregisseur met hoofdroos & ekseem aan zijn oorlellen'. Tragischer en tegelijk mooier wordt het, als Reve zich wanhopig blootgeeft.

De bezorger, Nop Maas, trof deze bezwering aan op de buitenkant van een envelop: “Amsterdam 6.2.1966 (Zondagmorgen kwart voor één) Nu zie ik & weet ik, dat ik niets kan hopen of verwachten. Er is alleen nacht, duisternis & afgrond. Ik moest alles opgeven, & alleen nog doorschrijven. Ik moet de drank opgeven, dan kan ik schrijven, & word ik misschien niet krankzinnig. Ik verwerp God niet, & geloof niet dat ik dat ooit zal doen. Meer weet ik niet.” In 1966 dronk Reve zoveel, dat hij er een delirium van kreeg.

Uiteindelijk is de beste van al Reve's literaire wapens de humor. Nijholt was een beetje bang voor Reve's ironie. Hij schreef achterdochtig: “'n Paar brieven heb ik weer overgelezen en wéér bekroop me het gevoel dat je me toch 'n beetje op de hak neemt.” Reve antwoordde per kerende post met verreweg de mooiste brief uit de bundel.

Op 23 Februari 1986 schreef 'Dr. Gerard Reve, indoloog' aan Nijholt: “Ja, ik heb je slecht, en met zondige wreedheid behandeld.” Vervolgens maakte hij dat goed met een Reviaans compliment: “Je klaagt over de jaren, maar jij wordt nooit oud. Waar haal ik de woorden vandaan.”

En dan volgt de alinea-om-in-te-lijsten:

“Ik wilde wel dat ik een afgelegen Kasteel had, waar ik je voor immer gevangen zoude kunnen houden, verwennen, aanbidden, vernederen en bij motregen langzaam martelen, hoewel ik met over de knie leggen toch ook al tevreden ben. Ik ben eigenlijk geen veeleisend mens. Een jongensvriend, een revist, en een devoot katholiek. Ja, een dorpsgek, zeggen ze, maar er zit toch systeem in, waar of niet, en wat ik ermede doe! Denk eens aan al die prachtige boeken!”

Zo wist Reve mij op de valreep, in een feitelijk wel heel erg mager boekje, toch weer in een paar zinnen voor zich te winnen.

mailIcon print |