*

 

Spanjaarden willen wel geloven dat Filips II nog zo kwaad niet was

HENK BOOM − 06/02/98, 00:00

recensie Was Filips II een wrede despoot, een roomse fundamentalist, souffleur van de inquisitie, moordenaar van zijn zoon Carlos en koning van een rijk waar geuzen, indianen, Napolitanen, Aragonezen, Portugezen, Afrikanen en Engelsen werden onderworpen aan de staatsspreuk 'Dienstbaar zijn aan God en aan mij is hetzelfde'?

Of is ons beeld van hem te veel bepaald door de propaganda van de rebel Willem van Oranje en de geschriften van de verrader Antonio Perez, die jarenlang optrad als secretaris van de koning 'die nooit lachte in het openbaar' (Louis Paul Boon in 'Het Geuzenboek') en 'van nature een stamelaar was' (Simon Vestdijk in 'Het Vijfde Zegel')?

Als we de historicus en hispanoloog Henry Kamen moeten geloven, hebben niet alleen wij Nederlanders ons vergist, maar de Spanjaarden ook. In de biografie 'Felipe de España' doet Kamen zijn best een zo sympathiek mogelijk portret te schetsen van een verlichte koning, gevangen in het web van staatsverplichtingen, hofintriges, huwelijksperikelen en een van zijn vader overgenomen expansiepolitiek.

Kamens vorst verafschuwde de rook van de brandstapels en besteedde meer tijd aan het determineren van bloemetjes dan aan het neerslaan van opstanden. Hij introduceerde Franse tuinen in Spanje, legde met overgave een bibliotheek en kunstverzameling aan in het Escorial, was bevriend met Titiaan en zorgde ervoor dat hij altijd een Vlaams koor kon horen tijdens de vespers.

Dit jaar, op 13 september, is het vier eeuwen geleden dat Filips II stierf. Mede daardoor heeft de vertaling van Kamens 'Philip of Spain' in Spanje veel aandacht gekregen. De conclusie is ontluisterend: serieuze Spaanse critici zijn even schaars als goede Spaanse historici als het om hun eigen geschiedenis gaat. Het lijkt wel of iedereen op voorhand gelooft dat met dit boek nieuwe bronnen zijn aangeboord en dat dankzij Kamen Filips II is gerehabiliteerd.

Aan bronnenkennis hoeven we bij Kamen niet te twijfelen, en ook niet aan de grondigheid waarmee hij die in een uitvoerige, boeiende biografie heeft verwerkt. Maar uiteindelijk gaat het om keuzes. Zou Kamen minder in de archieven van Simancas, de schaduw van het Escorial, de bibliotheken van Venetië, het doolhof van Toledo en de kloostergangen van Valladolid hebben vertoefd en wat meer in de straten van Den Briel, de kerken van Mechelen en de Betuwse uiterwaarden van de Waal, dan zou hij wellicht tot een barser oordeel zijn gekomen.

Waar wij Filips II ervaren als de geestelijke vader van Alva's schrikbewind, zien de Spanjaarden hem als erfgenaam van het rijk waar de zon nooit onderging. In de jaren, voorafgaande aan de Tachtigjarige Oorlog, leggen wij accenten op hongerwinters, de gevolgen in Brabant en Vlaanderen van het stopzetten van de import van Engelse wol, en de stijgende graanprijzen. Kamen op zijn beurt kijkt door de Spaanse bril naar opstanden in Peru en Granada, overstromingen in het Duero-gebied, de Turkse dreiging, Filips' problemen met zijn ziekelijke zoon Carlos, zijn vier echtgenotes, hofperikelen en wat dies meer zij.

Maar goed, Kamen is nu eenmaal hispanoloog. Madrid is zijn uitgangspunt, niet Antwerpen. Hij gaat zorgvuldig te werk en raadpleegt meer bronnen dan anderen. Nergens gaat hij zich te buiten aan speculaties, hooguit aan arrogantie door in enkele voetnoten vakgenoten te schofferen. Hij geeft een nauwkeurig beeld van Filips II en de omstandigheden waaronder hij leefde en regeerde. Maar of daarmee een ander beeld wordt gegeven van de vorst, is twijfelachtig.

Ergens in zijn boek stelt Kamen de vraag: wanneer een heel volk schreeuwt dat het onderdrukt wordt, is dat dan waar? Voor het antwoord hoef je Boons Geuzenboek niet te lezen. Een avondje met geschiedenisboeken uit de Lage Landen op tafel is genoeg. Maar vanuit zijn concept komt Kamen tot de conclusie dat de wreedheid waarmee de Spaanse onderdrukking van de Nederlanden gepaard ging, Filips niet kan worden aangewreven. Het was allemaal te wijten aan de arrogantie van Alva en de zelfstandig functionerende inquisitie-tribunalen.

En zelfs Alva, oordeelt Kamen, kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de executie van Egmond en Hoorne: “De graven waren slachtoffers van een politieke crisis.” Bovendien waren deze en andere executies voorafgegaan door tribunalen. Kregen Egmond en Hoorne dan een eerlijk proces bij de Bloedraad? Kamen ontkent het nergens.

De enige die in de Spaanse pers afstand heeft genomen van Kamens biografie, is John Elliot, de vermaardste hispanoloog van deze tijd. In een uitvoerig artikel, afgedrukt in het dagblad ABC, schreef hij dat Kamen zich te buiten is gegaan aan 'een aanval op de mythologie van de desinformatie'. Nieuwe bronnen zou Kamen amper hebben aangeboord en hij zou ook weinig bouwstenen hebben aangedragen voor een ander beeld van Filips dan bijvoorbeeld Geoffrey Parker al heeft geschetst.

Elliot vond bij Kamen een weinig coherent beeld van een vorst die in het boek “niet de belangrijkste acteur is in zijn eigen leven maar meer een passieve toeschouwer bij de grote gebeurtenissen gedurende zijn koningschap”.

Als het om het belang van de Paises Bajos, de Lage Landen, in de Spaanse buitenlandse politiek gaat, doet Kamen de geschiedenis geen geweld aan. Duitsland was al verloren voor de roomse zaak. Maar als de opstand in de Lage Landen slaagde, zou de vonk kunnen overslaan naar andere gebieden.

Bovendien waren de Nederlanden voor Spanje van groot economisch en financieel gewicht. In de Lage Landen werd de wol uit Spanje verhandeld, werden zeevloten gebouwd, speelde de handel zich af - en er kwam het geld vandaan om de oorlogsinspanningen te financieren.

Maar zodra Kamen zich beijvert om Filips II sympathieker neer te zetten dan zijn collega-historici, vervalt hij in tegenspraak. Nu eens is Filips een humaan vorst, dan weer moeten we geloven dat het woord clementie niet in zijn woordenboek voorkwam.

Op de ene plaats lezen we dat Filips' zogenaamde uitspraak “Ik zou zelf het brandhout aanvoeren om m'n zoon te verbranden als hij een ketter was als jullie”, moet worden toegeschreven aan de paus. Maar elders benadrukt hij de wreedheid van het Spaanse juk door een dominicaner monnik, Francisco de la Cruz, te citeren die visioenen had waarin Filips' uitbuiting van de indianen in Peru centraal stond. De la Cruz vond de dood aan de wurgpaal.

Over Alva blijft Kamen ambivalent. Als de IJzeren Hertog zijn bril heeft verloren - een anekdote die niet wordt vermeld - en terugkeert in Spanje, portretteert Kamen Alva en de koning als trouwe vrienden. Filips zet alle staatszaken opzij en trekt drie dagen uit om bij te praten. Elders is Alva echter de grote boef, die bij het overdragen van de macht aan Requesens het advies geeft: “Alles platbranden wat wij met onze mensen niet hebben kunnen bezetten.”

Kamen vermeldt aardige persoonlijke details. Filips II las en schreef veel brieven - 'meer dan vier ezels kunnen dragen', zei een Vlaamse hoveling. Dat hij een langslaper was en na het ontbijt nog een uurtje het bed in ging, spreekt zijn biograaf tegen.

Kamen ontzenuwt de mythe dat 'Spanje' in de slag van San Quentin het Franse leger versloeg - een overwinning die Filips II vierde door het Escorial te laten bouwen. Van de 48 000 solaten, schrijft Kamen, was maar 12 procent Spaans; nog eens 12 procent kwam uit Engeland, meer dan de helft was Duits en bijna een kwart Nederlands.

Had Kamens Filips II dan helemaal geen fouten? Zeker: hij weerde zich niet tegen de jicht, noch tegen de laster uit de Lage Landen. De jicht velde hem. De laster voedde de zwarte legende, zelfs in Spanje, want tot op de dag van vandaag hebben Spanjaarden een verkeerd beeld van hun vorst, houdt Kamen vol.

Hij roept, tot slot, nog meer polemiek over zich af door Filips' veroordeling van Willem van Oranje te rechtvaardigen (in theorie, zoals zijn afgezwakte versie luidt). Kamen voegt eraan toe dat aanslagen ook nu nog een legitiem wapen van staten zijn. Wil hij daarmee zeggen dat staatsterrorisme gerechtvaardigd is? Een gevaarlijke theorie van een bevlogen historicus.

mailIcon print |