*

 

Aan hypnose kleeft te veel het odium van toverij en erotiek, vond Freud

HANS VAN DER PLOEG − 09/01/98, 00:00

recensie “De afgelopen weken heb ik mij op de hypnose geworpen”, bericht Freud op 28 december 1887 aan zijn Berlijnse vriend Wilhelm Fliess, “en allerlei kleine maar opmerkelijke successen behaald.” Toch liet Freud de hypnose later vallen ten gunste van de psychoanalyse. Een ernstige vergissing, meent Tonja Kivits. Freud had beter het hypnoanalytische spoor van Sándor Ferenczi kunnen volgen.

Afhankelijk van de psychiatrische aandoening die je had kwam je in de vorige eeuw (onvrijwillig) in een gesticht of (vrijwillig) in een watergeneeskundig kuuroord terecht. Het gesticht was bestemd voor mensen die leden aan waanzin, een manie of melancholie. 'Zenuwpatiënten' met een neurose, zoals bijvoorbeeld hysterie, een ziektebeeld waarop (vooral Franse) psychiaters van die dagen maar niet uitgekeken raakten, en neurasthenie, vergelijkbaar met onze mysterieuze vermoeidheidsziekte ME, lieten zich opnemen in kuuroorden, waarvan er wijd en zijd in Europa talloze te vinden waren.

Wanneer je als arts van de behandeling van zenuwpatiënten wilde leven, moest je meer kunnen doen dan hen naar een watergeneesinrichting verwijzen, vond Freud. Dat laatste leverde welgeteld één consult op, waar je financieel nauwelijks wijzer van werd. Zo kwam hij op de gedachte hypnose te gaan toepassen, wat een betere bron van inkomsten betekende, schrijft de psychotherapeute Tonja Kivits in 'Freud revisited'.

Hypnose werd in die dagen door de academische wereld allesbehalve vriendelijk bejegend. Zo zag Theodor Meynert, de Weense leermeester van Freud, hypnose als een hündische Unterjochung van de ene persoon jegens de ander die bij veelvuldig gebruik kon leiden tot geestelijke onevenwichtigheid. Dat Freud zich hier niets van aantrok, kwam door zijn contact met Jean-Martin Charcot, de beroemde hoogleraar pathologische anatomie en neurologie.

Op 13 oktober 1885 arriveerde Freud in Parijs, waar hij vierenhalve maand bij hem stage liep in de befaamde Salpêtrière. De man maakte een verpletterende indruk op Freud. Charcot gebruikte onbekommerd hypnose om bij patiënten symptomen te voorschijn te toveren en weer op te heffen. Zijn indrukwekkendste patiënte (met hysterie) was echter een perfecte actrice van wie ze in onze soaps nog veel zouden kunnen leren.

Volgens Charcot lag aan de basis van hysterie een psychologisch en niet een fysiologisch trauma. Symptomen waren het gevolg van ideeën. Door hypnose riep Charcot een kunstmatige verlamming op zijn patiënten, die hij even later weer liet verdwijnen.

Geheel anders dacht men in de school van Nancy waarvan de eerdergenoemde Bernheim en Ambroise Liébault deel uitmaakten. In die visie is hypnose een slaaptoestand waarbij de patiënt in contact blijft met de hypnotiseur. Freud voelde het meest voor deze benadering, totdat hij de psychoanalyse uitvond, de praatkuur op de divan waarbij de patiënt niet in hypnose werd gebracht, maar uitgenodigd werd over zijn dromen te vertellen, die dienden als vishaakjes naar het innerlijk van de ziel, de koninklijke weg naar het onbewuste.

De Deense psycholoog Ole Vedfelt geeft in zijn onlangs in het Nederlands verschenen boek een helder en nagenoeg volledig beeld van de manier waarop men in de loop der tijden aankeek tegen de droom. Hoewel deze auteur zelf een Jungiaanse achtergrond heeft, probeert hij ook aan de opvattingen van Freud recht te doen.

Volgens Freud kwamen dromen voort uit primitieve en vroegkinderlijke driften die in plaats van in zuivere vorm zich verhuld aan de dromer voordeden. Verdrongen conflicten uit de kindertijd roerden zich opnieuw, vaak in de vorm van symptomen, maar ook in relatie met de psychoanalyticus. Jung dacht niet dat dromen iets verborgen. Hij beschouwde ze juist als bron van een eeuwenoude wijsheid.

De psychoanalyse was (aanvankelijk) vooral bedoeld voor neurotische mensen, niet voor patiënten met de grote psychiatrische ziektebeelden. Op haar beurt werkt hypnose evenmin bij patiënten met een psychose of een dwang, zegt Kivits.

Het nut van 'Freud revisited' is dat in dit boek hypnose behendig uit de sfeer van het spookhuis op de kermis wordt gehaald. Je krijgt een uitstekende indruk hoe de schrijfster in haar praktijk te werk gaat, al dient gezegd dat de veelal kabbelende gevalsbeschrijvingen net iets te oppervlakkig zijn om de lezer voortdurend gevangen te houden. Des te meer verschaft het misplaatst gebruik van verkleinwoorden de casuïstiek een zweem van trivialiteit.

Fortuinlijker is de schets van Freuds ontwikkeling van hypnotherapeut tot psychoanalyticus met ruim aandacht voor diens tijdgenoten. Terecht krijgt Freuds rivaal Pierre Janet het volle pond vanwege diens oorspronkelijke ideeën over hypnose, dissociatie en meervoudige persoonlijkheid.

Soms verslikt Kivits zich echter in het grote aantal dramatis personae die zij ten tonele voert. Merkwaardig is haar onbewimpelde sympathie voor Sándor Ferenczi die wederzijdse analyse én hypnoanalyse propageerde. Van Jacques Lacan valt inderdaad moeilijk veel goeds te melden, maar wat de relevantie is van het feit dat diens leermeester Clérambault misogyn was en zelfmoord pleegde, begrijp ik niet goed. De kwalificatie van Franz Anton Mesmer (1734-1815), pionier op het gebied van de hypnose, als iemand met 'een dwangmatige behoefte om zijn patiënten helemaal naar zijn hand te zetten en hen volledig te domineren' is onjuist.

Mijn fundamentele kritiek geldt evenwel de kern van het betoog dat Freud beter geen afstand van de hypnose had kunnen doen. De gegevens die de schrijfster zelf biedt wettigen een andere conclusie. Kivits zit op de lijn van Léon Chertok, Isabelle Stengers en François Roustaing, die hypnose en psychoanalyse in elkaars verlengde zien. Het verschil tussen beide is dat je met hypnose het symptoom 'wegsuggereert' en met psychoanalyse de diepere waarheid van het symptoom probeert te ontdekken. De op zichzelf veel snellere successen bij hypnose waren vaak slechts tijdelijk vanwege symptoomverschuiving, vond Freud. Vanwege het odium van toverij en ongewenste erotiek die de hypnose aankleefde prefereerde hij de rustiger en objectievere psychoanalyse.

Het genuanceerde beeld van het verschijnsel meervoudige persoonlijkheid is daarentegen prima. Onder invloed van hypnose hebben de alters (zoals de diverse personen worden genoemd) soms de neiging almaar in aantal toe te nemen. Terecht beschouwt Kivits deze stoornis als reprise van de negentiende-eeuwse hysterie. Terwijl destijds geen enkele psychiater twijfelde aan het bestaan van hysterie, wordt het vóórkomen van de meervoudige persoonlijkheid thans door menigeen betwijfeld, ook al heeft de vierde editie van de 'Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders' inmiddels al weer een andere naam bedacht: dissociatieve identiteitsstoornis. Vooral wie in de vroege jeugd seksueel misbruik heeft ondergaan, loopt als volwassene de kans van dit afweermechanisme gebruik te maken alsof de betrokkene nog onverminderd blootstaat aan heftige onmenselijke en kwellende situaties.

Het idee van de gespletenheid van de ziel is allerminst nieuw. Je kunt het al vinden bij Plato. Die gespletenheid, die overigens niets met schizofrenie te maken heeft, werd treffend verwoord door de Franse historicus en criticus Hippolyte Taine (1828-1893): “Het menselijk brein is als een theater waar verschillende stukken tegelijkertijd worden opgevoerd en op verschillende tonelen waarvan er slechts een in het volle licht baadt. Niets is meer waard om te worden bestudeerd dan deze wezenlijke pluraliteit van het ik; ze gaat een stuk verder dan we veronderstellen.”

Of Freud dit citaat kende is onzeker. Wat Freud vermoedelijk wél las (in juli 1889 in Nancy) is een dialoog uit 'Voyage autour de ma chambre' (1794) van graaf Xavier de Maistre die de ik-figuur bij het ontwaken houdt met zichzelf over een erotische droom. Hierin raakt de ziel in gesprek met het beest of de ander. Of dit uiteindelijk bij Freud leidde tot de gedachte dromen te duiden blijft gissen. Een aanwijzing voor de werkzaamheid van het geweten óf de gespletenheid van de ziel kun je er namelijk ook in zien.

mailIcon print |