recensie Voorin 'Begraaf mijn hart bij de bocht van de rivier', een aangrijpend relaas van Dee Brown over de ondergang van de Indianen in Noord-Amerika, staat een landkaart afgebeeld. Daarop is duidelijk te zien hoe de Verenigde Staten in de vorige eeuw de natuurlijke habitat waren van tientallen Indianenstammen.
Hun grondgebied strekte zich uit vanaf de Rio Grande in het zuiden bij Mexico tot het Grote Merengebied op de grens met Canada, terwijl de Mississippi grofweg de oostgrens vormde. Die rivier was overigens geen natuurlijke scheiding, maar de Amerikaanse regering had in 1834 het land ten westen van de Mississippi officieel tot Indiaans grondgebied verklaard. Dat bleek al snel een wassen neus, want toen de goudkoorts uitbrak, waren de Indianen nergens meer veilig voor de expansiedrift van de blanke kolonisten. In de slag bij Wounded Knee in 1890 werd het laatste verzet van de Indianen gebroken.
Op de moderne landkaarten van Amerika zijn de sporen van hun oorspronkelijke grondgebied nagenoeg uitgewist en herinneren slechts de namen van plaatsen, rivieren en gebergtes aan de mensen die voor de komst van de blanken heer en meester waren in dat continent. De nazaten van degenen die de massale slachtpartijen overleefden, wonen tegenwoordig verspreid over een aantal reservaten onder omstandigheden die veel overeenkomsten vertonen met die van de aboriginals in Australië: hoge werkeloosheid, culturele verwarring en alcoholmisbruik.
Maar de laatste jaren is er sprake van een kentering: de belangstelling voor het Indiaanse culturele erfgoed is niet alleen in eigen kring maar ook daarbuiten enorm toegenomen. In de literatuur verwoorden auteurs als Louise Erdrich ('Chippewa'), Sherman Alexie ('Spokane') en Joseph Bruchac ('Abenaki') de dilemma's van het moderne Indianenbestaan en dragen op die manier bij aan de culturele bewustwording van hun volk. Vaak gaat het om spanningen tusen de oudere generatie, die de herinnering aan de traditie nog levend probeert te houden en de jongeren die daarvan zijn losgeraakt en een alternatief zoeken voor het uitzichtloze bestaan van een tweederangsburger.
In 'Little', het debuut van de jonge Ojibwe-indiaan David Treuer, die zelf opgroeide in het Leech Lake reservaat in Noord-Minnesota, komen die elementen op een prachtige manier bij elkaar. Het verhaal concentreert zich op een kleine Indianengemeenschap die huist in het gehucht Poverty. Die naam is ontleend aan president Johnsons 'War on Poverty', een excuus om deze mensen af te schepen met een stel gammele woningen die al beginnen te lekken of in elkaar storten zodra de verkiezingen achter de rug zijn.
De roman flitst heen en weer in de tijd: hij bestrijkt een periode tussen 1966 en 1980, maar de lezer wordt meegetrokken in een niet-chronologisch mozaïek, waarbij het perspectief verschuift afhankelijk van het personage dat aan het woord is.
Grootmoeder Jeanette is een bindende kracht die het verleden levend houdt: zij is getuige geweest van de vernietiging van het leefgebied van haar stam en de pogingen van de regering om de Indianen naar de stad te lokken. Maar ze treurt ook om het verlies van hun taal: “De woorden en zinnen die ons verankerden aan onze bomen en rivieren.”
Ze bewaart als enige een intuïtieve herinnering aan het bospad, dat langs het meer en door de bossen leidde, maar nu onherkenbaar bedekt is door een gebroken asfaltlaag. Zij is het middelpunt van de kleine gemeenschap die van los-vaste relaties aan elkaar hangt: Jeanette's ex-minnaars, de tweeling Duke en Ellis, die hun Pontiac als woning gebruiken, Vietnam-veteraan Stan, die samen met Celia, de dochter van Jeanette, een kind heeft dat misvormd is, en maar één woord over zijn lippen krijgt: 'jij'.
Zijn naam is Little en hij is de raadselachtige kern van het verhaal. Zijn voortijdige dood is het mysterie dat de hoofdstukken van de roman met elkaar verbindt. Hij groeit op met Donovan, een jongen die tijdens een sneeuwstorm gevonden is in het wrak van een verongelukte auto en zo ontstaat er ondanks het ontbreken van duidelijke familiebanden toch een soort onderlinge loyaliteit die zich vooral manifesteert in het afwijzen van de als bedreigend ervaren buitenwereld. De blanke priester Paul, die een vermetele poging doet om tot de kern van hun bestaan door te dringen, laat ten slotte zijn frustraties de vrije loop zodat hij met de staart tussen de benen de nederzetting moet verlaten.
Zoals Jeanette onder het oppervlak van asfalt de oude wegen weet te volgen, zo wordt ook de lezer tussen de regels door op het spoor gezet van gebeurtenissen die eerder gesuggereerd dan expliciet beschreven worden. Daarin toont David Treuer zich een begenadigd auteur, die met eigentijdse romantechnische middelen de magie weet op te roepen van een beschaving, die net als de flora en fauna die er een wezenlijk onderdeel van vormen, met uitsterven bedreigd wordt.
'Little' is onlangs in Engeland als paperback verschenen, en vooralsnog zijn er, voor zover mij bekend, geen plannen voor een Nederlandse vertaling. In ieder geval verdient dit krachtige en poëtische debuut een beter lot dan geruisloos kopje onder te gaan in het overstelpende boekenaanbod.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.