*

 

Schuddebuikend gooide Gans zijn pillen weg

ONNO BLOM − 06/02/98, 00:00

recensie Een 'Michelingids van het literaire hiernamaals', zo karakteriseren de redacteuren Hans Heesen, Harry Jansen en Ed Schilders hun boek 'Waar ligt Poot?'. Op het eerste gezicht lijkt het een keurige omschrijving van dit lexicon, dat de laatste rustplaats van Nederlandse en Vlaamse schrijvers vastlegt. Van Jacob van Maerlant, die overleed in Damme in 1293, tot de onlangs gestorven Ida Gerhardt (1997, verzorgingstehuis Berkelstaete in Warnsveld, aan de gevolgen van ouderdom) - al hun, al dan niet geschudde of verdwenen graven krijgen een plek in een helder lemma.

De aandacht voor de dood van schrijvers komt niet voort uit een morbide sensatiezucht of een overdreven rechtsvaardigheidsgevoel. Na het overlijden is er voor de meeste, zelfs populaire auteurs maar weinig aandacht meer. Met hen sterft ook vaak de aandacht voor hun leven en werk. Wie kent nog de veelgeprezen romans van Jo Boer (1993, aan het einde van haar leven zo verwaarloosd dat 'haar teennagels haar schoenen hadden opengeknipt'), wie leest er nog verzen van de prins der dichters, Adriaan Roland Holst (1976)?

De moeilijkheden waarop de redacteuren stuitten bij de zoektocht naar het gebeente van Poot (van het beroemdste Nederlandse grafschrift 'Hier ligt Poot / Hij is dood') zijn wat dat betreft exemplarisch. Van velen is de laatste rustplaats niet algemeen bekend en al helemaal nergens op te zoeken. Overzichtswerken, soms zelfs biografieën zwijgen als het graf. Aan dat onrecht maakt dit lexicon nu een eind. Het is een wapen in de strijd tegen het vergeten.

Toch is de keurige opeenvolging van plaatsen en data in laatste instantie niet de reden dat 'Waar ligt Poot?' zo'n geslaagd boek is. Van voor naar achter gelezen, van de laatste dagen van Aafjes tot Belle van Zuylen, wordt het boek tot een ontroerende, soms ontluisterende en vaak komische geschiedenis van de dood. De samenstellers hebben zich gelukkig niet beperkt tot het publiceren van de koele gegevens, maar hebben (en dát bepaalt steeds de lengte van een lemma, niet het literaire gewicht) zoveel zij konden vinden opgenomen over het verscheiden van de betreffende schrijver.

Nu kan worden opgezocht wie overleed in gevangenschap, wie werd vermoord of in het verkeerde graf gelegd. We kunnen weer weten dat Carmiggelt, die altijd op het laatse moment zijn stukjes inleverde en nooit iets in portefeuille had, op zijn graf wilde hebben: “Hier ligt S. Carmiggelt. Nu heeft ie eindelijk eens iets liggen.”

Ook worden we herinnerd aan het sterfbed van Elsschot. Alphons de Ridder, zoals hij werkelijk heette, ontving al aangetast door darmkanker nog de pastoor, die zalvend zei: “En hoe gaat het met u, mijn vriend?” Daarop zei hij: “Het gaat me zeer slecht, meneer de paster. Maar als ge me nog eens een bezoek brengt moet ge zeggen 'meneer De Ridder', want uw vriend ben ik niet.”

Het spectaculairst kwam de dichter van 'Oote Oote Boe' aan zijn eind. Jan Hanlo reed nogal eens met zijn motor 120 kilometer per uur, en wekte graag de indruk achter het stuur in slaap te zijn gevallen om iedereen de stuipen op het lijf te jagen. Op 14 juni 1969 haalde hij zijn laatste grap uit: met zijn Vincent 1200 cc botste hij op de Rasberg bij Berg-en-Terblijt bovenop een landbouwtractor. Twee dagen later stierf Hanlo aan de gevolgen van het ongeluk in het ziekenhuis van Maastricht.

De mooiste dood - en dan zal ik stoppen, het lexicon nodigt uit tot intergraal overschrijven - staat op naam van Jacques Gans. De schrijver overleed aan 'een teveel aan geld': “Een Zwitserse dame liet hem uit bewondering een legaat van twaalfduizend gulden na en dat heeft hij er in de korte keren doorheen gedraaid. In de kroeg wel te verstaan. Een paar dagen voor zijn dood zag H. J. A. Hofland hem nog op het terras van Scheltema, schuddebuikend van de lach. Gans had zojuist de pillen weggegooid die hij na zijn hartaanval op last van zijn hart moest slikken.”

Zo kan de doodsoorzaak een schrijver op de valreep nog onsterfelijk maken.

mailIcon print |