recensie Eeuwenlang kon het armoedige Brabant nauwelijks meekomen in de vaart der volkeren. Schoorvoetend schikte de Brabantse geest zich in het Hollandse gareel. Gabriël van den Brink promoveerde onlangs op 'De Grote Overgang': pas toen de Woenselaar op tijd kwam en zijn handen wat minder los zaten kreeg het moderne bestaan een kans. Van het proefschrift 'De Grote Overgang: een lokaal onderzoek naar de modernisering van het bestaan: Woensel 1670-1920' komt een handelseditie uit bij uitgeverij SUN in Nijmegen.
In het licht van de vaderlandse geschiedenis oogt het als een futiliteit, maar met vele andere, soms wonderlijke details schraagt de armenkar het fascinerende betoog in de De Grote Overgang van Gabriël van den Brink, een studie waar hij 12 april in Amsterdam op promoveerde. Het is het verhaal van Woensel. Eén boerendorp lijkt het, maar in werkelijkheid schijnt door deze lokale historie het wijdsere perspectief heen van het armoedige Zuidoost-Nederland op weg naar een modern bestaan.
Het andere Nederland, zegt Van den Brink: “Een stuk Derde Wereld in de achtertuin van Holland, een binnenlandse kolonie, een wingewest in de periferie.”
De ondergeschikte rol van het Brabantse platteland moge met die typeringen duidelijk zijn. De Gouden Eeuw hield nu eenmaal de grens van de kustprovincies aan. Brabant was eeuwenlang goed voor een paar belastingcenten, maar bovenal voor een militaire bufferzone die de Fransen en andere vijanden buiten de deur hield. Eigen bestuur was dit generaliteitsland niet gegund: Holland wist immers veel beter wat goed was voor de Brabanders.
Als de historie (vanaf 1670) in 1920 eindigt met de annexatie van Woensel door Eindhoven, is het perspectief volkomen gewijzigd. “De grondslag voor het moderne leven is gelegd. Overal werkt de markt, er is industrie, je hebt onderwijs en bijna geen analfabetisme meer, er is stemrecht, een nationale staat en een geloofsleven dat sterk op de wereld is gericht.”
Zo comprimeer je 250 jaar ontwikkeling in één alinea. Van den Brink maakte er wel een omweg van tien jaar voor, langs de archieven van één boerendorp. Zoiets heet onderzoek van onderop, en de promovendus heeft de geschiedenis van dat onbetekenende Woensel ook nog eens drie keer geschreven: de bestuurlijke wijzigingen, de cultureel-mentale veranderingen en de economisch-demografische aspecten.
Welk van die drie stuurde het meest? Al te lichtvaardig nemen we aan dat harde ontwikkelingen - economische en technologische vooruitgang - de modernisering in gang zetten. Voor Woensel gaat Arie van der Zwans wijsheid 'Eerst de economie, dan volgt de rest vanzelf' echter niet op, stelde Van den Brink vast. Hier was de economische modernisering eerder het eindresultaat van de historische ontwikkeling. Voordat de Kempenaren zich ook in economisch opzicht konden voegen in de Hollandse karavaan moesten de politieke verhoudingen drastisch veranderen.
En de wat ongedisciplineerde Brabantse geest worden gepolijst met een duurzaam beschavingsvernis. “Industrie vereist allereerst dat mensen leren om op tijd op hun werk te komen. Dat ze niet van hun werk moeten aflopen en constante kwaliteit moeten leveren.”
Ook de handelsgeest van de Hollander stak pas laat de grote rivieren over. Tot diep in de 19e eeuw bij voorbeeld verkozen boeren minimale inspanning boven maximale winst, ontdekte Van den Brink. Als de roggeprijs omhoog ging, deed de boer het gewoon wat rustiger aan.
Naar Hollands voorbeeld leven was zeker te veel gevraagd in tijden dat het bestuur van de overheid louter als juk werd ervaren. “De overheid nam en gaf niet.” Waar Brabant goed voor was, het vormen van een verdedigingswal, kostte alleen maar extra, want legers aten en dronken het volk nog armer dan het al was.
“Romantiseer het verleden vooral niet, de mensen hadden het bijzonder moeilijk. Wat zíj konden incasseren aan misère, zowel lichamelijk als geestelijk. . . Eén op de vier kinderen ging dood. Over die buitengewone mentale kracht en trots, om je zonder overheid en vaak ook zonder buren door het leven te vechten, daar beschikken wij niet meer over.”
Incasseren! Zo leest Van den Brink in het archief over het gezin van Lambert Habraken: Thomas en Jenneke, geboren in 1699 en 1703 redden het, maar Maria en Jan uit 1705 en 1707 sterven heel jong. Dirk uit 1708 gaat goed, maar een tweede Maria uit 1710 overlijdt vroegtijdig. Jan uit 1712 haalt net de vijf.
Incasseren en doorwerken natuurlijk, want de schrale zandgronden vergden ook voor een karige pot nog je laatste zweet. Eén hectare bouwland, en de meeste boeren hadden er maar drie, leverde gemiddeld elf hectoliter rogge op, à drie gulden per hectoliter. Dan begrijp je dit klaagschrift uit de 18e eeuw: “Soo konnen drie mergens naar sulken bloedigen arbeyts jaarlijcx geen hondert guldens op brengen, daar den boer met vrouw en kinderen, meyt en knegt een heel jaar van moeten leven.”
Op land dat nauwelijks hooi- of weiland mocht heten stonden magere koeien, die magere melk gaven, die magere boter gaf. En amper mest. Vier van de vijf huishoudens konden niet op tijd hun belasting betalen.
Geen wonder dat een overheid die alleen maar plukte geen goed kon doen in Brabantse ogen. “De loyaliteit tegenover de Republiek was minimaal. Men voelde zich gebruikt en had een enorme afkeer van Holland. Wat daar vandaan kwam kon niet deugen.” Niet in het minst omdat het katholicisme voortdurend onder vuur lag van de calvinistische Hollanders, die er “een duister geloof vol superstitiën” in zagen. Het is maar één voorbeeld: “Alle abten, prelaten, papen, canonicken en monicken moeten binnen acht dagen vertrekken”, gebood een plakkaat uit 1648. En wee de kindertjes die met 'roosse-kranssen of beeldekens' op school verschenen.
Vaderlandsliefde moest je op het Brabantse platteland niet zoeken toen, maar de 19e eeuw brengt verandering. Eind 18e eeuw ontstaat de nationale eenheidstaat, Brabant en Limburg verliezen hun koloniale status. De vrek die de overheid leek bekommert zich nu wèl wat om dit achtergebleven gebied en besteedt geleidelijk meer aan de infrastructuur, het onderwijs en de armenzorg. Vanaf 1870 wegen de kosten van de belasting tegen de baten op. Het algemeen stemrecht is de kroon op de democratisering.
Zo worden Brabanders heel langzaam Nederlanders. Hoewel: “Die loyaliteit is een probleem gebleven. Nu nog, getuige het aantal lokale partijen dat weer opduikt als het CDA eens blundert.”
Brabant, “die harrewarrige provincie”, hield vooral van zichzelf, vond Holland. Brabant was een andere wereld, met een andere geest ook. Daar heerste de 'cultuur van het gebaar', de 'cultuur van de nabijheid', schrijft Van den Brink. In de beslotenheid van een dorp als Woensel. Hoe anders was Holland, waar de taal regeerde, waar veel minder analfabetisme was. De wereld van het boek kijkt niet op een kilometer. “Maar Brabant met zijn boerencultuur had geen boeken, hooguit een plaatje aan de muur.”
De cultuur van het gebaar? “Van de lichaamstaal. Ik vat cultuur op als de wijze waarop mensen de zaken des levens, hun problemen èn pleziertjes, op een symbolisch niveau vorm geven en verwerken. Dat deden Hollanders in alle mogelijke uitingen van taal, van roman en gedicht tot het gesproken woord, de Brabanders meer in gebaar en ritueel.”
“Die cultuur uit zich vooral in gebruiken en rituelen bij belangrijke overgangen in het leven: geboorte, huwelijk en dood.” De dodemalen en kraammalen, paapse stoutigheden die de Staten-Generaal trachtte te verbieden, moeten dikwijls massaal zijn geweest, hoewel het soms ook maar om een paar krentebollen ging. Daarbij maakt de cultuur van de lichaamstaal bij voorkeur veel herrie. Jongeren schieten bij een trouwerij geweren leeg en schreeuwen om het hardst.
“Zo'n ritueel kan zich ook omkeren, zoals gebeurt bij vormen van ketelmuziek of charivari. De buurt straft als een man zijn vrouw slaat of bij voorbeeld ongehuwd met de meid samenwoont. Jongelui roffelen 's nachts op ketels, blazen op hoorns of holle pijpen en slaan met zwepen. Ze zetten zo'n zondaar te schande en voeren bij dit zogenaamde toafelen het omgekeerde toneel op van het huwelijksritueel. Ze eten en drinken niet maar gooien met uitwerpselen en modder.” Of ze laten bij het ploegspannen een zondige boer zelf zijn ploeg over het erf trekken.
Het wekt geen verwondering dat bij mensen wier leven immer in het teken van eer en schande stond, de handen vaak nogal los zaten. Vetes en vechten waren des Brabants. “Een houding van kom maar op. En iedereen droeg in die dagen een mes op zak. Ruzies liepen niet zelden uit op bekkensnijden, waarbij je de tegenstander een paar halen over zijn gezicht gaf. Zo'n goed zichtbaar kruis over je aangezicht schond ook je aanzien.”
“Al die rituelen hadden sterk betrekking op het lichaam, en dan vooral op de openingen in het lichaam: eten, drank, uitwerpselen, bloed, speeksel, lawaai. Dat heeft te maken met de hardheid van het bestaan: met het vermogen om te incasseren, met de afhankelijkheid van de natuur, de kracht van het lichaam en de vruchtbaarheid. Deze mensen hadden een obsessie met vruchtbaarheid: het is van levensbelang dat daar niets aan mankeert, met het oog op hun vee, hun akkers en hun eigen nageslacht. Hun hele leven dus.”
“Die natuurlijke elementen worden als veel belangrijker ervaren dan wat er in Den Haag gebeurt. Het lichaam, de seizoenen, de omgeving, de vegetatie, al dat soort zaken zie je weerspiegeld in hun culturele uitingen.”
De 19e eeuw bracht van twee kanten een offensief tegen deze volkscultuur van Pieter Brueghel de Oude, tegen dat 'lompe en onbeschaafde' gedoe. Allereerst van de overheid, die het onderwijs krachtig ging stimuleren. Een simpel cijfer: in 1747 kon 29 procent van de Woenselnaren, zij het houterig, zijn eigen naam schrijven, in 1890 reeds 82 procent. Wat nog meer telt: “Mensen overstijgen eindelijk hun privé- of familiehorizon. De noorderlingen hadden altijd al een veel ruimere mentale horizon.”
“Het beschavingsoffensief was daarnaast gericht tegen de vele gewelddadigheden waarvan tot eind 18e eeuw maar een gering percentage ter ore van justitie kwam. Het volk hield de schande liever binnenshuis, maar het uitdelen van fikse straffen en de komst van de veldwachter brachten op termijn succes. Vanaf dat moment moest je het ook niet meer wagen om de verkeerde maten en gewichten te gebruiken of op zondag een pakje boter te koop aan te bieden.”
Het gareel werd afgedwongen met allerlei nieuwe wetten en op de kleinste onbenulligheden kwam straf te staan. Gij zult geen dode takken verzamelen, afgevallen bladeren of dennenaalden; de velgen van uw paardenkar zijn minstens 9,5 centimeter breed. Niet plassen op straat, geen weiland van een ander dwars oversteken. - Vervolg op pagina 16
'Geknecht, ja...' VERVOLG VAN PAGINA 15
En wat te denken van het maatgevoel van de rechter: in 1847 krijgt een arbeider drie maanden wegens het stelen van een paar aardappelen; in 1852 gaan twee mannen een half jaar het gevang in voor bedelen bij een kasteel te Heeze, waar ze een stuiver kregen. Let ook op je woorden: een scheldende timmerman moet enkele weeklonen afstaan omdat hij in de plaatselijke veldwachter een 'sodemieter en verrekkeling' meende te herkennen.
Aan de inborst van de Brabander werd aan alle kanten geschaafd: disciplinering door de overheid, alfabetisering op school en moralisering door de kerk. “Hoe was dat vóór de 19e eeuw bij katholieken: je had de officiële kerkelijke moraal, dan een hele tijd niks en dan kwam het dagelijkse leven. In de gereformeerde cultuur nam men het geloof serieuzer, maar de katholieken gingen er heel soepel mee om.”
Die kloof tussen de strenge moraal en het dagelijkse leven wordt in de 19e eeuw enigszins gedicht. Maar hoe moraliseer je een volk? Historicus W. van Halen beschrijft hoe demagogische preken, collectieve gebeden en gezangen die als strijdliederen tegen zonden en kwaad door de kerkruimte galmden, het volk tot bekering moesten brengen. “Het succes zat hem vooral daarin dat de paters, nadat zij hun gehoor zeer aanschouwelijk hel en verdoemenis in al hun monsterlijkheid hadden voorgehouden, zeer mild waren in hun vergiffenis en weer uitzicht boden op de hemelse heerlijkheid.”
Van den Brink: “Na de moralisering waren het kapelaans die het sacrale verbonden met reële, maatschappelijke problemen. Zij verenigden de boeren die door de agrarische crisis waren getroffen, ze verenigden ook arbeiders uit de sigarenindustrie en steunden vrouwen die te veel kinderen kregen. Van de kapelaans kwam het engagement, zij organiseerden de stakingen en brachten sociale organisaties op de been.”
Dan zijn we 1850 gepasseerd en worden de contouren van het moderne leven zichtbaar. De 'wilde' natuurmens in de Brabander is enigszins gekooid. Werd hier een volk geknecht? “In zekere zin wel. Hun trots is gebroken, ze moeten zich onderschikken aan overheden en mensen waar ze heel lang een minachting voor hebben gehad. Geknecht, ja, maar er is ook veel gewonnen: ze komen voortaan op tijd.”
En dat kon Philips waarderen. Hij haalde voor de gloeilampenfabriek (uit 1891) op een goed moment de helft van zijn arbeiders uit Woensel vandaan. Hoe anders begon de wereld er toen uit te zien. Eeuwenlang wilde Woensel, door kindersterfte, ziekte en noodgedwongen emigratie, niet boven de 2 200 inwoners uitkomen maar in de tweede helft van de 19e eeuw gaat de huwelijksleeftijd drastisch omlaag. Meer mensen en meer armoe is het resultaat. Goedkope arbeid ook en dus industrie, maar de gemeente Woensel overleefde het uiteindelijk niet.
De oude Kempenaren hadden het zwaar, maar toch bekruipt je gaandeweg het gevoel dat veel van de bekoring van het boerenleven en de huisnijverheid in die tijd aan de doelmatigheid is geofferd. Als na 1850 de markt het heft in handen neemt, de (water)wegen worden verbeterd, het berichtenverkeer door de telegraaf wordt versneld en de stoommachine verschijnt, dan moet de boer mee de markt op, met kunstmest en nieuwe gewassen.
En specialiseren zal hij zich: “Hard werken voor je rogge en boekweit, je mest verspreiden èn je zuivel bereiden, èn hout kappen, èn ploegen, èn je huis onderhouden, èn je eigen bier brouwen: dat ging niet meer, ze moesten taken afstoten. Met resultaat, want veel groter werden de boerderijen niet maar de rogge-opbrengst verdrievoudigde.”
De weverij gaat tezelfdertijd de fabriek in: “Van Gogh kon nog net het staartje van de huisweverij documenteren. Woensel moest het in de aanloop naar de industriële modernisering vooral hebben van handwerk: van de textiel- en sigarenindustrie met hun lage graad van mechanisatie. Tot Philips kwam, die zich met zijn massaproduktie direct op de wereldmarkt richtte.”
En dat in katholiek Woensel: “Botsingen zijn er genoeg geweest. Die industrie nam een dynamiek met zich mee, die allerlei morele zekerheden aan het wankelen bracht. Met voorop het strijdpunt of je op zondag ook gloeilampen moet maken. Daar staakte je tegen.”
Waarbij de kerk het won. Dit waren de hoogtijdagen van de verzuiling. “Wij lezen nu veel over fundamentalisme, maar Brabant had in die dagen van de overgang naar de moderne tijd een sterk moreel fundamentalisme. Juist in zo'n overgangsperiode maken de traditionele krachten zich sterk. Misschien is de modernisering in dorpen als Woensel daarom tamelijk probleemloos en zonder slachtoffers tot stand gekomen: het evenwicht tussen vooruitgang en traditie bleef bewaard.”
Wees daarom ook voorzichtig met oordelen over zo'n strijdpunt als het zondagswerk, waarschuwt Van den Brink. Wij schatten het nu al gauw in als een confrontatie tussen progressief Philips en die 'achterlijke clerus', terwijl hier eigenlijk “twee verschillende tijden op elkaar botsen”.
Woensel redde het niet, het verloor het van de groeiende armoede. Ze maken nu TV-toestellen waar ze vroeger turf staken, beseft Van den Brink. Ze leggen knusse woonerven aan op plaatsen die berucht waren om berovingen. En in zijn verbeelding sjokt de ossekar door het rulle zand, daar waar heden ten dage in deze wijk van Eindhoven een stroom vrachtwagens voortraast. Echt modern. “Vind je? Zo'n onderzoek kun je ook beschouwen als een polemiek tegen de zelfopvatting van onze tijd. Elk tijdvak beschouwt zichzelf als de nieuwe tijd. 'De veranderingen gaan zo snel' is een frase die steeds weer opduikt. Vreemd is dat niet, omdat de mensen het zo ervaren, maar het zijn meestal veranderingen binnen een bepaald kader, een kader dat er al was.”
Rond 1920 kreeg het in Brabant zijn definitieve beslag. Ze werken er sindsdien ook voor de winst en beuren al lang geen honderd gulden van de gemeente meer voor het aangeven van een vagebond of twee kwartjes voor het over de dorpsgrens jagen van beedelaars, leediggangers of afgedankte soldaten. En als er morgen een trouwerij is, is er natuurlijk volop bier, maar niet meer op weg naar de kerk: het mag geen kwanselbier meer heten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.