*

 

'De Schepper moet een betere tekstschrijver in de arm nemen'Israëlische auteur Shalev schrijft mooi over 'de Bijbel nu'

INEZ POLAK − 10/11/95, 00:00

recensie Meir Shalev: De Bijbel nu. Vert. Ruben Verhasselt. Vassallucci, Amsterdam; 250 blz. - ¿ 39,90.

Ook als volwassene trekt Meir Shalev door de stad, al wisselt hij dat af en toe af met een wat woestere deelname aan de Camel-safari in Afrika of - veelvuldiger - met tochtjes op zijn motor in het land.

Maar nog altijd wanneer hij naar de oude stad van Jeruzalem gaat en naar de Tempelberg kijkt, probeert hij zich opnieuw de verhalen van toen, van drieduizend jaar geleden, voor te stellen.

“Het valt niet mee de Omar-moskee, de Al-Aksa-moskee, de Klaagmuur en de Zuidmuur weg te denken en de oren te sluiten voor het geroezemoes van de biddende gelovigen en de oproepen van de moëzzins. Het valt niet mee de religieuze gevoelens en verlangens en het obscure fanatisme, waartoe verschillende volkeren zich hebben laten inspireren door deze plek, te vergeten en terug te keren naar die zomerse dag waarop koning David de Jebusitische dorsvloer kocht om er een altaar op te richten”, schrijft hij in 'De Bijbel nu'.

Het is wel precies wat Shalev doet in dit boek. Hij keert terug naar Abraham, 'de eerste joodse kolonist', hij keert terug naar 'de doortrapte koning David' en naar Job die door God om de tuin wordt geleid.

Hij vlecht er de 'platte' actualiteit van nu doorheen en met de Shalev zo geheel eigen ironie tovert hij de bijbelse verhalen om tot eigentijdse gebeurtenissen.

Fel van leer

De auteur, een van de meest gelezen schrijvers van Israël, doet nog meer. Hij haalt discussies van schriftgeleerden aan en gaat zelf in discussie met hen en met de Bijbel. Zo trekt hij fel van leer tegen de Almachtige die Job als proefkonijn gebruikt, alleen maar omdat hij een weddenschap heeft gesloten met de satan, “die in die dagen nog deel uitmaakte van Zijn staf en niet geloofde in de belangeloze oprechtheid van de beroemde rechtschapene”.

Waarna Shalev zich tot de gelovige schriftgeleerden wendt, die nogal in hun maag zitten met Gods weinig verheven rol in het verhaal: “Voor de gelovige lezer zit er niets anders op dan dit (. . .) voor lief te nemen en te proberen het in zijn of haar geloofsopvattingen in te passen. Wij, van mening dat Gods antwoord is geschreven door een sterveling, bevelen de Schepper van harte aan voor Zijn volgende toespraken een betere tekstschijver in de arm te nemen.” Ook het scheppingsverhaal ontkomt niet aan een grondige beurt. Shalev herinnert eraan dat het scheppingsverhaal in de bijbel eigenlijk tweemaal wordt verteld. In de eerste versie schiep God eerst de wereld. En toen die klaar was, met gewassen en dieren en alles, schiep Hij op de zesde dag het eerste mensenpaar.

Shalev: “We zijn nog op de zevende dag aan het bijkomen van Zijn werkweek als we door de bijbel worden opgeschrikt met een tweede scheppingsverhaal.”

Daarin formeert God de mens uit het stof der aarde en blaast hem leven in. Om de eenzaamheid van de mens te verzachten schept Hij de dieren en de vogels. Kennelijk is dat niet genoeg, want de mens voelt zich nog steeds eenzaam. Dan “voert de barmhartige God snel de bekende operatie uit die Adam een rib uit zijn lijf kost maar ons de eerste vrouw oplevert”.

Op dezelfde luchthartige, sarcastische toon gaat Shalev vervolgens in op de twee scheppingsverhalen en schetst hij de verschillende filosofieën die eraan ten grondslag liggen: de mens als wereldveroveraar, als vorst en heerser, de efficiënte exploitant, die in feite niets anders is dan het sterkste dier ter wereld; en (tweede verhaal) de mens als parkwachter, de eenzame dienaar van God, die zich tussen de mooie bomen van het hof van Eden liep af te vragen wat hij daar eigelijk deed.

Maar ook wordt de lezer verrast op twee Goden. Tegenover de God die alles tevoren heeft gepland, de kille ingenieur van het eerste scheppingsverhaal, stelt Shalev het veel aardiger Opperwezen uit de tweede versie, een God die eigenlijk maar wat aanmoddert, net zo lang probeert tot het resultaat min of meer bevredigend is. Al zal in de praktijk die God hardvochtiger blijken te zijn dan nummer een. Met alle gevolgen vandien voor zijn schepselen.

Onder Shalevs badinerende toon schuilt een scherpzinnigheid die 'De Bijbel nu' een extra dimensie geeft. Voor de leken vertelt hij de bijbelverhalen op een uiterst onderhoudende wijze; de kenners tracteert hij op verrassende invalshoeken.

'De Bijbel nu' verscheen al tien jaar geleden in Israël en had toen een actuele politieke dimensie. De Israëlische lezer moest bij de beschrijving van David in zijn nadagen, “een bejaarde leider die de greep op zijn omgeving verliest”, indertijd wel aan de nadagen van premier Begin denken. En in de roekeloze bijbelse veldheren kon hij gemakkelijk generaal Sjaron herkennen. Zelfs de minister van economie kreeg van Shalev een veeg uit de pan doordat hij de geldontwaarding in bijbelse tijden vergeleek met de op hol geslagen inflatie in Israël.

Actueel

De meeste problemen die de Isaëlische maatschappij tien jaar geleden bezighielden, blijken niets aan actualiteit te hebben verloren. Dat kan ook niet anders, want tenslotte bewijst Shalev met 'De Bijbel nu' dat ook verhalen van drieduizend jaar geleden nog weinig aan actualiteit hebben ingeboet.

mailIcon print |