*

 

Verwey was 'als het ware ons dichterlijk geweten'

T. VAN DEEL − 06/02/98, 00:00

recensie “Geachte heer. Hierbij stuur ik U een vers; kunt U het misschien in 'de Beweging' opnemen? Ik heb nog nooit iets in een tijdschrift geplaatst, en ben dus nog absoluut onbekend. Misschien is het bijgaande vers zeer slecht; ik kan het niet beoordeelen, maar ik stuur U ten minste het beste, wat ik geschreven heb, al is dat nog niet veel zaaks.”

Het is juni 1905 en de net achttienjarige hbs'er J. C. Bloem stuurt voor het eerst een gedicht naar een literair tijdschrift. Niet naar zomaar een, maar naar 'De Beweging', van Albert Verwey. Die plaatste het gedicht niet, maar schreef waarschijnlijk iets bemoedigends terug. Bloem wilde niets liever dan als dichter door Verwey erkend te worden en hij bleef inzenden voor 'De Beweging', waarin hij in 1910 debuteerde.

De ruim zeventig brieven van Bloem aan Verwey, geschreven tussen 1905 en 1918, zijn nu voortreffelijk bezorgd door Bart Slijper. We leren er de jonge Bloem uit kennen en zijn grenzeloze vertrouwen op Verwey's smaak. Die verering voor Verwey zal later gemengd raken met bezwaren, maar toch is Bloem altijd met grote waardering over zijn leermeester blijven spreken. “Hij was als het ware ons dichterlijk geweten.”

Bloem wordt nog door velen gelezen en hij geldt als een van onze grootste dichters. Verwey wordt door praktisch niemand meer gelezen en van zijn vroegere reputatie is niets overgebleven. Nog enigszins leeft hij voort door Vestdijks congeniale boek 'Albert Verwey en de Idee', maar de vraag is gerechtvaardigd: voor hoe lang nog?

mailIcon print |