recensie Achtste jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Walburg Pers, Amsterdam; 271 blz. - ¿ 39,50.
De feiten uit de periode 1940-1950, voor zover die al bekend zijn, verdwijnen telkens weer achter aan de ene kant 'de massamedia met hun zwart-wit mythes' en aan de andere kant 'de veteranen met hun erkenningsstreven'.
“De incidenten monden veelal uit in een en masse van stal halen van de moralistische zwart-wit-visie en eindigen met scherpe verontwaardiging over en veroordeling van het 'verkeerde verleden'. Een verleden dat slechts tot twee onderwerpen is gereduceerd: excessen en militaire acties.”
Het zijn dit soort aanvullingen die de jaarboeken van het Riod zo waardevol maken, ook al heeft dr. Joop de Jong er weinig fiducie in dat de schizofrenie in Nederland door zijn bijdrage snel zal verdwijnen: “Er is geen sprake van dat Nederland het verleden achter zich heeft gelaten.”
Iets daarvan komt ook terug in het onderzoek van de historici Pim Griffioen en Ron Zeller over de vraag waarom er in Nederland in de Tweede Wereldoorlog, in vergelijking met andere West-Europese landen, zowel procentueel als absoluut de meeste joden zijn weggevoerd en vermoord. Ze laten de lezer de conclusie: het Nederlands formalisme, overgenomen door hier al dikwijls lang verblijvende joden, was de factor die het meest in oog sprong. Althans, die factor waaraan de Nederlanders iets hadden kunnen veranderen.
Griffioen en Zeller hebben vooral onderzocht waarom het verschil tussen Nederland en België zo groot was. In Nederland werd 75 procent van de joden slachtoffer van de deportaties, in België 40 procent. In Nederland waren er bij het begin van de oorlog 140 000 joodse burgers, in België 66 000. Tot nu toe werden in publicaties twee factoren genoemd die het grote verschil verklaarden: het verschil in natuurlijke gesteldheid van de landen en het het feit dat België wel en Nederland niet in de Eerste Wereldoorlog betrokken was geweest. België leverde door het geaccidenteerde terrein en de bebossing veel betere mogelijkheden om joden te laten onderduiken. En België had ervaring opgedaan met de Duitse bureaucratie en wist dat het verstandig was om de bevolkingsregisters zo snel mogelijk in het ongerede te brengen.
In hun onderzoek zetten Griffioen en Zeller drie hoofdoorzaken naast elkaar, die laten zien dat die veronderstellingen elk afzonderlijk maar zeer ten dele waar zijn, en samen volstrekt onvolledig.
Het eerste grote verschil was dat Nederland een min of meer burgerlijk SS-bestuur kreeg, terwijl België met het oog op de aanval op Engeland onder militair bestuur werd gesteld. Die twee hadden heel andere prioriteiten. Daarnaast verslechterden de levensomstandigheden voor de bevolking in België sneller. Mede daardoor werd het verzet in België eerder georganiseerd.
En ten slotte was er het verschil dat in België de joden veel minder geassimileerd waren dan in Nederland. Daar waren het nog ook onderling gescheiden groepen, die zelf het verzet organiseerden. In Nederland gedroegen de joden zich als de Nederlanders en waren dan ook formalistischer geworden. Eerder geneigd om de Joodsche Raad te volgen, die door de Duitsers gemanipuleerd werd maar wel een legitieme vorm van gezag vertegenwoordigde.
In hun onderzoek wegen Griffioen en Zeller de verschillende omstandigheden (de vervolgers, de omstandigheden en de vervolgden) niet. Duidelijk wordt dat er een heel nieuwe situatie zou zijn ontstaan wanneer de Nederlanders niet zo formeel waren geweest en zich in elk geval niet zo massaal hadden neergelegd bij een reeks van bureaucratische maatregelen. Zoals de ramp ook minder groot was geweest, mogelijk, als de joodse burgers al niet zoveel van de Nederlanders hadden overgenomen.
Het jongste jaarboek van het Riod bevat verder, naast de gebruikelijke overzichtsrubrieken en tussenrapportages, nog studies over de legendevorming over de relatie tussen de CPN en de Raad van Verzet, en over het beheer van particuliere kunstverzamelingen tijdens en na de oorlog.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.