recensie Twintig jaar geleden, in 1978, debuteerde de kernfysicus Jona Oberski met 'Kinderjaren'. In die novelle beschrijft Oberski de oorlog door de ogen van een kind. Hij volgt de argeloze blik van een joods jongetje, dat terechtkomt in de onbegrijpelijke verschrikking van het concentratiekamp.
'Kinderjaren' is gebaseerd op de persoonlijke ervaringen van de schrijver. Samen met zijn vader en moeder werd Jona Oberski in 1943 via Westerbork op transport gezet naar Bergen-Belsen. Jona overleefde als enige van zijn gezin de holocaust. Ondanks de autobiografische achtergrond en de ogenschijnlijke waarachtigheid die kleeft aan de indrukken van het kleine jongetje uit 'Kinderjaren', heeft Oberski zich in interviews altijd verzet tegen een te letterlijke interpretatie van zijn novelle.
“Ik wilde uitdrukken wat die omstandigheden voor een kind betekenen. De feiten over de oorlog zijn wel bekend, die hoefde ik niet te herhalen. Ik vroeg me alleen af of datgene wat ik opschreef goed uitdrukte wat ik bedoelde. Sommige thema's in het boek berusten op mijn ervaring, sommige zal ik hebben ver- zonnen. In hoeverre het boek in details waar is, daarvan heb ik geen idee. Hoe zou ik het ook kunnen weten. . .”
Aan het woord is niet Oberski zelf, maar Aram Tifo, zijn alter ego in 'De eigenaar van niemandsland'. In die stevige, grillige roman is Oberski's fictieve verwerking van het schrijven van zijn eigen succesvolle debuut. 'Kinderjaren' werd in vijftien talen vertaald en door schrijvers als Chaim Potok en Isaac Bashevis Singer als een meesterwerk ontvangen.
De kernfysicus Aram Tifo, tevens schrijver van het boek 'Kind in de oorlog', is nog altijd niet verlost van de gruwelijke erfenis van het kleine jongetje. Hij wordt niet alleen bezocht door rijen grijze schimmen van vermoorde joden, maar ook geconfronteerd met de heftige reacties van overlevenden uit de oorlog en hun nabestaanden. Zij zien in Aram de vertolker, soms zelfs het geweten van het verleden.
In die gewetensvolle rol raakt Aram danig verstrikt. Vanaf het moment dat hij bij een optreden als gevierd schrijver in de schouwburg (de plek die hem onvermijdelijk doet denken: “vandaaruit waren we naar het concentratiekamp afgevoerd”) door een onbekende wordt neergeschoten, slaat de totale verwarring toe. Hij ontvlucht het ziekenhuis waar hij voor zijn schotwonden wordt behandeld en gaat een lange lijst vrienden, bekenden en collega's af in de hoop in één van hen de dader te ontdekken.
Het gegeven is al vreemd - het is toch ondenkbaar dat het een volle zaal toeschouwers zou ontgaan wie er op een van de eerste rijen een pistool op de schrijver leegschiet -, maar de zoektocht naar de dader krijgt helemaal bizarre trekjes. Zo bezoekt Aram zijn verdachte vrienden, terwijl hij een berenmasker voor zijn geschonden gezicht draagt.
Evenmin is het goed te vatten waarom Aram het gezelschap van een jongedame met de mysterieuze naam Carlotca duldt. Dit verleidelijke type heeft Aram voorafgaand aan het optreden in de schouwburg voorgesteld een film over zijn leven te maken. Hoewel hij dit een onprettig idee vindt, staat hij toch toe dat Carlotca filmcamera's in zijn huis opstelt, in zijn papieren rommelt, en hem wulps bespringt wanneer de gelegenheid zich voordoet - kortom, zijn leven domineert. Wordt hier de ijdeltuiterij van de schrijver gestraft, die de oorlog als literatuur exploiteert?
Het is maar een greep uit de stroom vragen in de roman die niet werkelijk een antwoord krijgen. Aram raakt steeds meer zijn greep op de werkelijkheid kwijt. Hij hoort stemmen, vertoont paranoïde gedrag en lijdt aan hallucinaties. Zo ziet hij in een sleutelscène een aantal opblaaspoppen aan voor de levende verbeeldingen van zijn gevoelens, die in de spiegel van zijn ziel een zware strijd leveren. Luchtballonnen met namen als Prik, Nar en Actik vechten om de macht in het 'niemandsland'.
Luchtbel Mystik, voor even op de troon gehesen, houdt dan een wel zeer diepzinnig betoog: “Alles is één, er is orde, niets is doelloos, en het enige ware is de betekenis van de wereld te zien en te ervaren. Met verstand heeft dat niets te maken, dat moeten we uitschakelen, om onze verweving met alles te beleven, om bergrug te zijn en haardtegel, vliegtuigvleugel en zonnestelsel, de kosmos, de liefde, waarmee we de ander in ons opnemen, omspoelen, daaraan dankt ieder z'n leven. De liefde van het doel dat geraakt wil worden, trekt de schutter aan. Alles heeft betekenis. Ga en achterhaal die.”
Hoe naarstig ik ook probeer Mystiks raad op te volgen, het valt me in deze grillige roman niet mee. Zo helder als 'Kinderjaren' is, zo troebel is 'De eigenaar van niemandsland'. Weliswaar wordt vlak voor het einde plompverloren bekendgemaakt wie de schoten heeft gelost, maar stilistisch en inhoudelijk blijft van alles in het vage. Vanzelfsprekend is de niet aflatende schemer in Arams leven te verdedigen vanuit zijn wankelmoedige psychische staat. ,M'n wereldbeeld lag binnenstebuiten', geeft hij toe.
De verwarring zelf zou dan de talloze stijlwisselingen en Arams onpeilbaarheid verklaren. Erg bevredigend is dat niet. Oberski verliest zich in de wild kronkelende hersenspinsels van zijn personage, zonder zich te bekommeren om zijn lezers. Of, om zijn eigen metafoor te gebruiken: hij vergeet als gids mee te gaan in het mistige niemandsland. Zonder Oberski's zoeklichtje is Aram Tifo nauwelijks te volgen en blijft ontroering, begrip en zelfs een sprankje medelijden achterwege.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.