recensie Hein Bloem en Annick Boyer (selectie en vert.): Verlangen naar het verlangen - Briefwisseling tussen Alain Fournier en Jacques Rivière. De Nieuwe Engelbewaarder, jg. 2, juni 1994, uitg. Bas Lubberhuizen; 128 blz. - ¿ 22,50. Henri Alain-Fournier: Het Grote avontuur - Le Grand Meaulnes. Vert. Max Nord. Atheneum-Polak & Van Gennep; 9e druk; 224 blz. -¿ 55.
Dit schrijft Jacques Rivière in 1910 aan zijn vriend en zwager Henri Alain-Fournier. Hij stimuleert hem wel om een en ander op schrift te zetten. Drie jaar later hadden deze dromerijen de vorm gekregen van een onvergetelijke roman, 'Le Grand Meaulnes'.
In 1994 verscheen niet alleen een negende - herziene - druk van de vertaling van deze roman die Max Nord al in 1949 maakte onder de titel 'Het grote avontuur', maar ook een selectie uit de briefwisseling tussen Rivière en Alain-Fournier, met liefde vertaald door Hein Groen en Annick Boyer. Graag binnenkort meer!
Verlangen naar het verlangen is de toepasselijke titel van deze bloemlezing, en de leidraad ervan is het verhaal van een vriendschap, ontstaan toen beiden op school hun gezamenlijke passie voor literatuur ontdekten. Tien jaar duurde de briefwisseling, toen brak de Eerste Wereldoorlog uit. Meteen al in september 1914, één jaar na de publikatie van 'Le Grand Meaulnes', werd luitenant Fournier vermist. Hij was 28 jaar. Zijn overblijfselen zijn pas in 1991 bij Verdun gevonden, waarna hij alsnog met militaire eer begraven is. Rivière stierf in 1925 aan tyfus. Een vroege dood voor twee 'titaantjes'.
De brieven zijn een genot om te lezen, en niet alleen als seismografie van een vriendschap, waarin naast een grote 'zielsverwantschap' sterke tegenstellingen speelden. Boeiend zijn ze ook als laboratorium voor beider opvattingen over literatuur. Rivière groeide in die jaren uit tot de gezaghebbende hoofdredacteur van de 'Nouvelle Revue Française', de fijnzinnige criticus die als een van de eersten het belang van Proust's werk erkende. Fournier werd, naast dichter en criticus, de schrijver van 'Le Grand Meaulnes' (zijn tweede roman, 'Colombe Blanchet', onvoltooid, werd in 1990 alsnog uitgegeven).
Leven en kunst waren voor Fournier nauw met elkaar verbonden. Zijn werk bezit een evident autobiografisch karakter, en andersom had hij sterk de neiging zijn eigen ervaringen en gevoelens te 'verdichten'.
Achttien jaar oud aanschouwt hij een 'visioen': ze is mooi, blond, onbereikbaar en heet Yvonne de Quiévrecourt. Zij zal de naam worden voor het onvervulbare verlangen dat hij zijn (korte) leven lang koesterde, al troostte hij zich later enigszins met de vrouw van zijn werkgever, een liaison die duurde tot aan zijn dood. “Mijn roem zal het gevolg zijn van zozeer te hebben liefgehad”, schreef Fournier al in 1906 aan Rivière, een roem die hij zelf nauwelijks meer heeft gekend.
Wat is het geheim van 'Le grand Meaulnes'? Om te beginnen is het een knap gecomponeerd verhaal, een combinatie van jeugdroman en liefdesverhaal: eindeloos romantisch, weemoedig èn spannend. Het wordt verteld door de onderwijzerszoon François. Zijn wat eentonige leven verandert op slag door de komst van een enigmatische grote jongen, Augustin Meaulnes, wiens avonturen hij vanaf de zijlijn intens meebeleeft.
Op een nachtelijke tocht raakt Meaulnes verzeild in een wonderbaarlijk feest, waar hij een meisje ontmoet - Yvonne de Galais - op wie hij hevig maar hopeloos verliefd wordt. Jaren zal hij haar tevergeefs zoeken, evenals het geheimzinnige landhuis waar alles zich afgespeeld heeft. Ook de broer van Yvonne, Frantz, breekt na een ongelukkige liefde binnen in het leven van François en Meaulnes. Rivaliteit en vriendschap smeden tussen de drie jongens een wonderlijk intense lotsverbondenheid.
François, de 'confident' van de stugge Meaulnes, krijgt op een gegeven moment de sleutel in handen van het raadsel dat alle personages met elkaar verbindt, en weet Yvonne en zijn vriend bij elkaar te brengen. Tevergeefs, de dag na het huwelijk vertrekt Meaulnes alweer, zijn onrust achterna. Misschien is een geliefde van vlees en bloed ook niet bij machte om dat absolute verlangen dat zich rond haar heeft gekristalliseerd, te vervullen. In die zin is 'Le Grand Meaulnes' minstens zozeer een roman van de ontgoocheling als van de magische wereld van de adolescentie.
De sfeer van dit boek is volstrekt eigen. Fournier roept met evenveel intensiteit de dagelijkse dingen op in hun vredige uitstraling, als de bijna fantastische bossen en velden waarin de avonturen van De Liefde spelen, en beide werelden vloeien moeiteloos in elkaar over. In de vele liefdevolle beschrijvingen heeft Fournier veel van zijn eigen jeugdherinneringen verwerkt. Net als François' vader was zijn vader onderwijzer. Het gezin woonde naast de school en 's avonds werden de kooltjes zorgvuldig overgebracht van het klaslokaal naar het huis. Prachtig zijn ook de beschrijvingen van de winkel van Sinkel van François' oom, een labyrint vol wonderen en krioelend van neven en nichten.
Toch ging het Fournier bepaald niet om het oproepen van een realistische wereld, wél om een 'innerlijke werkelijkheid' recht te doen. Zo schreef hij aan Rivière: “Ik wil geen personages in de gebruikelijke zin maar meer zoals ze elkaar in een droom ontmoeten. Onder droom versta ik: een visioen uit het verleden, verwachtingen, een oud verlangen dat in aanraking komt met een nieuw visioen dat weer verdwijnt, een herinnering aan een namiddag waardoor de witheid van een parasol bovenkomt en de frisheid van een gedachte van vroeger herleeft”. Misschien is een van de charmes van dit boek ook dat je als lezer, hoe anders je eigen herinneringen ook zijn, het gevoel hebt dat je eigen kindertijd erin meeklinkt.
Deze roman bezit een vreemde spanning, van een soort dat men ook aantreft in fantastische literatuur; ze is te danken aan een diepere psychologische laag die de personages en de gebeurtenissen met elkaar verbindt. Alles wat er gebeurt, lijkt geregisseerd door een geheimzinnige logica, en de drie mannelijke 'rollen' - François, Meaulnes en Frantz - zouden drie tegenstrijdige gezichten van éénzelfde figuur kunnen zijn.
De eerste is de meer solide, maar ook saaiere persoonlijkheid, de 'sédentaire', gericht op de realiteit. De andere twee zijn de romantische 'nomaden': Meaulnes is de vleesgeworden onrust, en Frantz, ondanks zijn charmante, kinderlijke speelsheid, lijkt haast een demonische afsplitsing van hem.
Niet voor niets duikt hij op, als verlopen niet-meer-jonge jongeling, precies op het moment dat Meaulnes trouwt met Yvonne en het geluk voor hem binnen handbereik is. Zo belichaamt hij de destructieve en regressieve gestalte van het kind dat niet volwassen wil worden - het andere gezicht van de trouw aan het onvervulbare verlangen. De vrouwen in dit adolescenten-universum zijn uiteraard hetzij de lichtende engel, hetzij het lichte meisje, zoals Frantz' geliefde, die later in Meaulnes zulke tegenstrijdige gevoelens oproept.
Ondanks de heftig romantische thematiek is Alain-Fourniers roman nog steeds een genot om te lezen, dankzij een adembenemende stijl die nergens sentimenteel of overdreven bloemrijk wordt. Ik weet alleen niet of veel jongeren van nu zich nog zullen herkennen in de sombere, absolute hartstocht van Meaulnes, of in de bescheiden, maar even absolute vriendschap van François. Misschien is de opvatting van de liefde zakelijker geworden? Zou men zich nu nog zo willen laten 'vervoeren' als Fournier voor ogen stond? Zo schreef hij aan Rivière: “Ik ben iemand die de immensiteit en het mysterie in elke vorm van leven kent. (Ik zou) de nachtelijke veerman van de arme lieden ( . . .) willen zijn. Ik ga ze overzetten naar de oever van mijn land waar alle dingen in hun geheimzinnige schoonheid zichtbaar worden”.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.