*

 

De stilte trilt, zonder invloed, zonder doel

PETER DE BOER − 31/01/97, 00:00

recensie Arjen Duinker: Het uur van de droom. Meulenhoff, Amsterdam; 54 blz. - ¿ 29,90.

Vormtechnisch en qua toon zijn de verschillen weliswaar groot, maar anderzijds is er de frappante overeenkomst van de streng gefixeerde locatie: bij Nijhoff een straat, bij Duinker als gezegd een plein. Beide gedichten hebben bovendien een mythische dimensie. 'Het uur U' ontleent die aan één centraal incident: een onbekende man, een soort spirituele rattenvanger van Hamelen, loopt door de straat. Zijn verschijning roept bij elk van de straatbewoners een visioen op 'van schier hemelse euphorie'.

In Duinkers 'De uren' ontbreekt zo'n duidelijke katalysator. Hier echter ligt het mythische element besloten in het telkens opduikende idee van ontgrenzing. Tijd en ruimte schijnen niet meer aan aardse wetten gebonden. Het plein is geen concreet plein, al meen ik op onderdelen de Markt van Delft herkend te hebben, maar, zo lezen we, wel 'drie, vier pleinen tegelijk'. Vandaar ook dat het, 'hoewel begrensd, onafzienbaar lijkt'.

Bij Nijhoff, half traditioneel, half modernistisch, is nog ruimte voor het visioen, hoe kortdurend ook, - voor zingeving dus. Duinker, de postmodernist, is het stadium van zingeving en het zich bekreunen om de onmogelijkheid daarvan al voorbij. Dat alles zin-, of beter doelloos is wordt welbeschouwd nuchter en sans rancune onder ogen gezien. 'De maan beschijnt de dingen / Zonder achterliggende gedachte', heet het. En: 'De stilte trilt, zonder invloed, zonder doel'.

Maar waar samenhang ontbreekt, daar wordt de veelheid der dingen, zeg maar de 'ver-internetting' van het moderne bestaan, natuurlijk wel degelijk een probleem. Een probleem én een intrigerende obsessie, als ik Duinker goed begrijp. Want nogal dubbelzinnig merkt zijn ik-figuur op:

Er is veel, uitzinnig veel, Dat ik niet wil weten. Reden onbekend. Er is veel, lachwekkend veel, Dat ik wil voelen, Meer dan weten.'

Elders peinst hij al even dubbelzinnig: 'Ik weet dat ik geen ziel heb./ Toch ervaar ik soms meer / Dan me lief is'. Geen ziel dus, maar wel zielennood: Duinker schenkt onze tijd hier de paradox die hij verdient.

Het is ondoenlijk om dit grillige en in die grilligheid ook enigszins opportunistische gedicht adequaat samen te vatten. Het is een bric-à-brac van beelden, impressies, associaties, voorvallen en gedachten, die als kruiend ijs over elkaar heen schuiven. Vier mannen lossen een vrachtauto, een cognacdrinker oreert op een terras, de ik-figuur schaft zich 'De onderdelen van een uur (aan)/ Dat dit uur moet vervangen'. Enzovoort.

Stukje bij beetje, als een schots en scheef driedimensionaal mozaïek, ontstaat een mentale blauwdruk van het plein. De lezer zit in het brein van de ik-figuur gevangen en wat hij ziet heeft iets magisch-realistisch, is concreet en abstract tegelijk en paart helderheid van details aan een onsamenhangende voorstelling van het geheel. Dat klinkt aardig, maar in de praktijk hinkelt dit lange gedicht maar moeizaam naar het einde. Het bevat ook nauwelijks passages die op zichzelf pakkend genoeg zijn om te citeren. In hun wonderlijke, soms kolderieke afwisseling schuilt ontegenzeggelijk een typisch Duinkerse charme, maar te weinig om het gedicht te redden.

Duinkers visie en houding zijn wel interessant - chaos wordt met chaos bestreden - maar dat hierbij wartaal onontbeerlijk is, bevalt mij minder: 'Het plein zet uit en krimpt,/ Blaast en ontspant zich./ Likt hier en daar wat wonden / En fluistert gecodeerde wartaal'.

Nog even over die visie: het wegvallen van een eenheid scheppende idee leidt bij Duinker dus niet tot nihilisme, dat zich op het niets, maar tot een opgewekt 'totalisme', dat zich op het alles betrokken weet. Het heeft wel iets gemeen met het door A. F. Th. van der Heijden ingevoerde concept van 'leven in de breedte': oeverloos, exuberant en synchronistisch. Duinker vertegenwoordigt van dit 'totalisme' dan de groteske variant. Hij lijkt me de enige dichter, uitgezonderd misschien Tonnus Oosterhoff, die binnen een verder toch serieuze context een regel uit de pen krijgt als: 'Vooruit, neus, volg me!' Toch is deze bundel beduidend minder geestig dan zijn vroegere werk. Zo is er al bij al voor de lengte van dit gedicht en de mateloosheid van de thematiek een zware prijs betaald. De puntigheid, de helderheid, de clowneske maskerades, zaken waarin Duinker traditioneel uitblinkt, zijn in 'De uren' veel minder prominent aanwezig dan mocht worden verwacht. Ik vrees voor Duinker dat de epische lyriek een andere, gestructureerde aanpak behoeft dan waartoe zijn door mij overigens hooggeschatte poëtische talent in staat is. Hij is kennelijk meer iemand voor het middellange gedicht. Want je kunt nu wel zweren bij ontgrenzing, maar in het leven van alledag heeft alles en iedereen natuurlijk gewoon zijn beperkingen.

mailIcon print |