*

 

NOOIT GELUKKIG, NOOIT VERDRIETIG LULU WANG

HANS MARIJNISSEN − 08/02/97, 00:00

recensie In het Chinese strafkamp trad zij als kind op in haar eigen Lelietheater, met de waterplanten als gehoor. Nu presenteert de volwassen Lulu Wang zich aan de wereld. De debuutroman die zij in het Nederlands schreef, is ingekocht door uitgevers in maar liefst elf landen. Een gesprek over double thinking, de keuze tussen woord en beeld, en de Culturele Revolutie die toch ook heeft verrijkt.

Het etiket met perziken heeft ze eraf geweekt en Wang beplakte het glas vervolgens met Chinese aforismen, zinspreuken. 'Ik ben mooi', is er een van. Maar ook: 'Mijn boek is een wereldsucces', 'Ik ben slank', en 'Ik word omringd door lieve mensen'.

Het zijn gedachtes, wensen, maar bij Wang zijn die wel stuk voor stuk uitgekomen. Ze ís mooi, ze ís slank, ze hééft haar liefde gevonden en haar debuut Het Lelietheater ís een wereldsucces. Nog voordat het werd uitgegeven, kochten elf landen de rechten. De 36-jarige Wang, opgevoed in het proletariaat, is miljonaire geworden op basis van twee hoofdstukken die in oktober op de Frankfurter Buchmesse werden gepresenteerd.

Lulu Wang, sinds zeven jaar docente Chinees en Engels aan de Hogeschool van Maastricht, is de eerste Chinese die een roman direct in het Nederlands heeft geschreven. Ze verhaalt in Het Lelietheater over haar jeugd in het China van de Culturele Revolutie. In opdracht van Mao Zedong moesten de hoge kasten waartoe ook Lulu en haar familie behoorden, in strafkampen 'heropgevoed' worden, terwijl de lagere kasten in de ogen van Mao tot de hogere gerekend moesten worden. Wang beschrijft in haar voor een groot deel autobiografische boek de vriendschap tussen haar (ze heeft zichzelf Lian genoemd) en Kim, een meisje uit de lagere kaste dat vanwege haar geringe status op school gepest en gemarteld wordt. Die rollen worden omgedraaid als de veertienjarige Lian met haar moeder naar het strafkamp moet. Het is nu Kim die Lian moet helpen, onder andere aan medicijnen die de uitbreiding van haar vitiligo, een huidaandoening, moeten tegengaan.

Dat het boek voor een groot deel autobiografisch is, bewijzen de witte vlekken op de benen van Wang, die met haar jampotje heeft plaatsgenomen in een enorme mint-groene bank met rolkussens. Op een stereotorentje staat houtsnijwerk, naast de Blokkerspiegel hangt een gewaad. Dit is China te Maastricht. Soms is bij Wang zelfs een zachte 'g' te horen.

De taal, de Nederlandse taal wel te verstaan, is voor haar een essentieel instrument geweest bij het schrijven van haar boek over zo'n ingrijpende periode van haar jeugd. Hoewel het soms moeilijk was zulke vroege herinneringen in een vreemde taal te noteren, had Wang haar verhaal niet in het Chinees kùnnen schrijven. “Als ik me stoot, moet je niet direct naar me toekomen met de vraag wat er is of hoe het gaat. Mijn reactie zal zijn: laat me met rust. Als je erge pijn hebt, wil ik eerst even bijkomen. Ook als ik verdrietig of boos ben, kan ik daar niet direct over praten. Ik moet de emoties eerst laten zakken, afstand nemen, zodat ik kan analyseren. Wat betreft mijn jeugdervaringen in China hebben de voorbijgegleden jaren een temporele afstand geschapen en de Nederlandse taal een linguïstieke. Over het kamp kan ik alleen verhalen in de derde persoon verleden tijd, en dan in een vreemde taal. Alleen zo kan ik de gevoelens die aan mijn huid zijn verkleefd, neerzetten op papier.”

Wang, dochter van een historica en een arts, kwam na haar studie Engels aan de universiteit van Peking naar Nederland - niet als vluchteling benadrukt ze, maar omdat ze meer van de wereld wilde zien. Haar vertrek uit haar intellectuele milieu in China en haar nieuwe start in Nederland deden haar opnieuw herinneren aan haar vriendin Kim uit die lagere kaste. Waren in China de maatschappelijke posities van de twee door Mao al herhaaldelijk omgedraaid, in Nederland voelde Wang zich na aankomst zoals Kim zich destijds als veertienjarige in haar klas moet hebben gevoeld. “Ik kwam hier en ik had niemand, helemaal niemand. Ik was een kleurling, een vreemdeling. Ik had dan wel een goede baan, maar ik voelde me een nul. Ik kwam echt van een koude kermis thuis”, probeert Wang een Nederlands gezegde. “Het is zo moeilijk je weg te vinden, je plek te vinden en waarom zouden de Nederlanders je helpen - hoe vriendelijk zij ook zijn. Ze kénnen je niet eens.” Wang had medelijden met Kim, ze dacht eraan hoe zij zich al die tijd staande heeft moeten houden. Maar ze had ook medelijden met zichzelf, vóelde zich Kim. “In China is Lulu Lian, in Nederland is Lulu Kim. Ze zijn inwisselbaar. Uiteindelijk besloot ik door het schrijven van mijn boek een eigen plekje te creëren, een boek over de verschillende kasten, de vriendschap die tussen die twee kan ontstaan en over de betrekkelijkheid van die posities.”

De Nederlandse taal was voor Wang dan wel het hulpmiddel bij het beschrijven van haar jeugd, ze beheerst de taal niet honderd procent, is vaak nog op zoek naar de juiste woorden. In zulke gevallen maakt ze gebruik van een kenmerk van de Chinese taal: ze gaat over tot het beschrijven van beelden. “De Nederlandse taal is er een van codes. A staat voor stoel, B staat voor tafel.” Met een vinger wijst ze naar de tafel: “Dit is een bandrecorder. Maar in het Chinees zou je kunnen zeggen dat dit een kastje is waar geluid in en uit gaat, net als bij een toverdoosje. En het werkt op een klein dingetje dat energie geeft en energie is zo doorzichtig als lucht, zo machtig als lucht en zo allesomvattend als lucht. Je kunt het niet voelen, en niet vastpakken. Maar als je diep ademhaalt, voel je het wel.”

“Wij Chinezen houden van beelden, en als ik Nederlandse woorden niet kan vinden, gebruik ik die. Mijn gebrek is zo mijn kracht geworden. Beelden zijn ook sterker dan woorden. Mijn ambitie is een bijdrage te leveren aan het verlevendigen van de Nederlandse taal, het verrijken ervan, nee: het vertederen, dat is het goede woord. De taal is zo hard. In het Nederlands zeg je: 'Ik hou van jou!' Klaar! In het Chinees zeggen we: 'Zelfs als de bergen afgevlakt zouden worden, en de zeeën uitgedroogd, zou ik toch van je blijven houden.' En zo kan ik nog wel doorgaan. Chinezen associëren, maken er meteen een heel verhaal van. Sommige noemen Chinees een bloemrijke wordy-taal. Maar het zijn geen woorden, het zijn gevoelens. Als je iemand liefkoost, moet je hem niet één keer aaien. Een aai is geen aai. Je moet hem zodanig aaien dat je een bepaald volume opbouwt. De Chinese taal gaat dóór, tot er een effect ontstaat. Nederland kent dat niet, hier zegt men: 'We gaan ervoor!' Punt. Ik zit vaak te balanceren tussen dat Chinese beeldende, dat rijke, en dat Hollandse nuchtere. Ik vind halfbloedjes zo mooi. En mijn taal is een halfbloed: een product uit de liefde voor Nederland en die voor China.”

In haar dankbetuiging die in haar boek is opgenomen, zegt Wang haar geschrift als een 'watermeloen' te beschouwen, die zich heeft kunnen ontwikkelen door de wind die het zaad over de vruchtbare aarde heeft uitgestrooid, de regen die het heeft besproeid, de zon, de mineralen en andere stoffen die de spruit hebben gevoed. Ze doelt op haar familie, vrienden, maar ook het strafkamp hoort in dat rijtje thuis, zegt Wang. De Culturele Revolutie is een periode die ze niet had willen missen, zegt opmerkelijk genoeg een schrijfster. Juist door die periode, toen ze als kampmeisje privéles kreeg van tal van belangrijke Chinese intellectuelen, is ze geestelijk zo rijk geworden. Maar ook hebben de ziekten en honger haar sterk gemaakt. “Ik heb daar een vaccin tegen pijn en verdriet kunnen ontwikkelen. Ik zeg: omarm het als liefde, omdat ik weet dat er na verdriet weer geluk komt. Als je niet weet wat verdriet is, weet je ook niet wat geluk is. En ik denk soms dat jullie Nederlanders dat niet weten. Omdat jullie verwend zijn. Kunnen de jongere generaties zich voorstellen hoe het is om thuis te worden lastiggevallen door veiligheidsmensen, gecontroleerd te worden op politiek incorrecte relaties, verraden te worden door de buren? Nee, maar ze weten ook niet wat intens geluk is.”

Wangs jeugd in China, het opgroeien met waarden die van de ene op de andere dag wisselen, heeft haar extreme onzekerheden gebracht. “Je wist als kind dat A goed was en B niet. De dag erop was B goed en werd A vervolgd. Ik heb destijds mijn eigen waarden niet kunnen ontdekken en ontwikkelen. Wij Chinezen hebben een gespleten mentaliteit gekregen, lijden aan double thinking, zoals George Orwell dat heeft beschreven. De partij zegt: 'Kennis is niet goed, wie geleerd heeft, is de doodgraver van het communisme, is een spion van het kapitalistische Westen'. In ons hart weten we dat iemand die geleerd heeft, meer kennis heeft van de wereld, hij is rijker, verdient respect. Toch moeten we met onze mond iets anders zeggen, anders worden we verraden. Ik woon nu al jaren in Nederland, maar ik kan nog steeds niet blij zijn om iets dat blijmakend is. En ik kan niet verdrietig zijn om iets waarover je kunt treuren. Omdat verdiet blijheid betekent en blijheid verdriet. Ik kan genieten van een mooi boek, maar dat is tegelijk bourgeois. Dus ben ik verdrietig, ik heb een zonde begaan. Mooie kleren idem dito, ze worden door de partij verfoeid. Ze zijn de etalage van het kapitalisme. Dat gevoel heb ik nu nog. Ik voel me schuldig. Het is zo moeilijk me gelukkig te maken. Ik weet niet wie of wat ik wil. Ik word verlamd. Ergens in me zit een schakelaar: goed is fout en fout is goed. Ik moet eerst door een lang ontgiftigingsproces om dat dubbele kwijt te raken.”

Wang is blij verrast met de aandacht die haar werk momenteel krijgt, ze voelt dat ze zich weer van een Kim naar een Lian heeft gewerkt. De uitgevers staan in de rij, terwijl ze soms maar een flart van haar boek gelezen hebben. “Maar als je een zoute druppel proeft, weet je hoe de zee smaakt”, zegt ze. Ze gelooft in haar persoonlijke kwaliteit, haar stijl en haar ritme, maar erkent dat haar boek ook meegaat op de golf van aandacht voor Chinese literatuur van dit moment. “Lange tijd is er helemaal niets over China gepubliceerd. Alleen werken die door de partij waren goedgekeurd of van buitenstaanders die het land niet werkelijk konden doorgronden. Weer later kwamen de meer historische werken over China. Pas in deze laatste jaren kan de wereld kennismaken met de gevoelens van de Chinezen. Er komen romans geschreven door Chinezen, over het innerlijke van de mensen, over hun eigen ervaringen.” En zo'n boek staat in nog geen enkele boekenkast, zegt Wang.

mailIcon print |