*

 

Van Keymeulen richt monument op voor lotgenoten van Arlette

PIETER VAN DEN BLINK − 30/01/98, 00:00

recensie Als de 'troostroman' een bestaand genre was, zou 'Het leeuwerikshuis' van de Vlaamse schrijfster Annie van Keymeulen er een treffend voorbeeld van zijn. Troostrijk voor eenieder die dezelfde herinnering met zich mee moet dragen als hoofdpersoon Arlette. “Meestal hield het zich schuil. Maar als het bij toeval geraakt werd, explodeerde het in grauwe pijn, die haar gezicht mat maakte, haar haren dof en haar lichaam opblies.”

Arlette is in haar jeugd seksueel misbruikt en zit sindsdien 'opgesloten in het concentratiekamp van haar hoofd'.

Hoe kun je weten dat van Arlette's verhaal de troostende kracht van herkenning uitgaat, als je zelf geen misbruikte vrouw bent? Omdat een goed verhaal de lezer laat herkennen wat hij nooit heeft meegemaakt. Het besef, in dit geval het afschuwelijke besef: zo moet dat zijn.

De vereisten voor het troost-genre zouden kunnen luiden: realistisch, doch met aandacht voor het tragikomische van de werkelijkheid. Aan deze voorwaarden voldoet Van Keymeulen vrijwel geheel. Naar aanleiding van een op te voeren kerststukje schrijft zij: “Maria zijn isoleerde Arlette van de anderen. Die speelden in het gewone gedeelte van het stuk. Zij zat opgesloten in het bijzondere gedeelte, in de kern, helemaal alleen met God, die ze op de wereld moest zetten.”

Gespeend van humor of relativering zijn de passages waarin Arlette worstelt met de herinnering dat zij zelf, tussen de walging door, opwinding gevoeld heeft terwijl zij misbruikt werd. De beschrijving van dit verschijnsel, waar in werkelijkheid vele slachtoffers van seksueel misbruik onder gebukt gaan, is zo zuiver dat er een klein monument voor Arlette's lotgenoten mee is opgericht.

Stukken minder sterk wordt het zodra Van Keymeulen de paden van het realisme verlaat. Enkele droombeschrijvingen van hoog freudiaans gehalte vertragen het verhaal zonder er iets aan toe te voegen. En onbedoelde lachlust welt op bij het lezen van beeldspraak als: “In de ruit die ze afsponsde, zag ze zichzelf weerspiegeld, waterig en met onscherpe contouren. Was ze zelf tot water aan het vergaan?” Ook stilistisch is 'Het leeuwerikshuis' niet overal even sterk (“het was even aanlokkelijk als een slechte gewoonte”). Het lijkt erop dat het verhaal van Arlette zo dringend verteld moest worden dat de schrijfster zich geen tijd gegund heeft voor de uitweidingen of verfraaiingen.

mailIcon print |