recensie Danilo Kis: De luit en de littekens. Verhalen. Redactie van de oorspronkelijke tekst Mirjana Miocinovi, vertaald door Reina Dokter. De Bezige Bij, Amsterdam; 136 blz. - ¿ 32,50.
Beide boeken werden in het Nederlands vertaald, ruim tien jaar geleden, vandaar dat nu ook de nagelaten verhalen, 'De luit en de littekens', in vertaling uitkomen. Ze hebben, het spreekt bijna vanzelf, alle zes niet de perfectie waar de eerdere verhalen op konden bogen, maar dat betekent in het geval van Kis allerminst dat ze niet zeer de moeite waard zouden zijn.
In feite is het enige aan de uitgave waartegen bezwaar kan worden gemaakt, de toon die tekstbezorger Mirjana Miocinovi aanslaat. Haar notities achterin over de manuscripten, de varianten, de keuzes, de verwijzingen en dergelijke zijn een parodie op een wetenschappelijke tekstverantwoording en zo beschouwd wel amusant. Ze schrijft in de wij-vorm, bij voorbeeld het volgende:
“Het verhaal 'De schuld' is in Kis' nalatenschap in manuscript op in totaal zeventien getypte bladzijden bewaard. Het volledige manuscript van de versie die wij hier brengen omvat twaalf genummerde pagina's; midden op de eerste is de titel 'De schuld' getikt. De tweede reeks van vier bladzijden vertegenwoordigt hoogstwaarschijnlijk de tweede versie van het begin van het verhaal, nu zonder titelaanduiding. Op nog een aparte bladzijde, met dezelfde titel, staan slechts vijf regels, die als varianten van het begin van het verhaal kunnen worden beschouwd.”
Dit ongehoorde rommeltje moet precisie suggereren in de verantwoording van de tekstkeuze, maar in het vervolg is nergens meer sprake van die vier bladzijden ('tweede reeks'!) die toch een 'tweede versie' van het begin behelzen. Bovendien vertoont deze tekstbezorger - de vertaler doet er nog een schepje bovenop - een neiging tot jargon: “De kloof tussen narratie en commentaar is hier veel groter.” Of: “Wij vestigen de aandacht op het specifieke sujet van dit verhaal in het kader van Kis' bellettristische opus.”
Gauw naar de verhalen zelf. Het eerste verhaal heet 'De apatride', dat is een mens zonder vaderland. Het is gebaseerd op het leven van de Hongaarse schrijver üdön von Horváth, die overigens in het Duits schreef. Ik dank deze kennis aan de notities van de tekstbezorger, die als het om verwijzingen en bronnen gaat natuurlijk wel nuttige informatie verschaffen. Von Horváth, hij heet hier Egon von Németh, krijgt in zesentwintig korte fragmenten gestalte. Aangezien het Kis erom ging levensgeschiedenissen te schrijven in het perspectief van de dood, stuurt het 'vlechtwerk van vakjes' zoals hij zijn fragmentarische constructie noemde, aan op Némeths ervaringen in Amsterdam, gevolgd door zijn plotselinge dood in 1938 in Parijs. In Amsterdam heeft hij een onderhoud met zijn uitgever Van der Lange (De Lange dus) en bezoekt hij een 'wichelaar', die hem voorspelt dat Parijs zijn leven radicaal zal veranderen. Eenmaal in de Lichtstad aangekomen, duurt het niet lang of bij een hevig noodweer wordt Németh geraakt door een vallende boomtak, hetgeen zijn dood betekent.
De man zonder vaderland, de apatride, moet Kis gefascineerd hebben, want ook hijzelf, net als Von Horváth, had zoveel verschillende achtergronden - Servokroatisch, Hongaars, Joods - en woonde lange tijd, tot zijn dood, in Parijs. De wereld beschouwde hij als zijn vaderland.
Aangrijpend, hoe droog en onderkoeld het ook verteld wordt of juist daardoor, is het verhaal van de in Parijs woonachtige Joeri Goletz, een in de Oekraïne geboren Jood, die na de dood van zijn vrouw geen aandrang meer voelt om door te leven. Hij vraagt aan zijn vriend de verteller hem een pistool te bezorgen, maar die zegt toe dit pas over een jaar te zullen doen: “Als je het dan nog nodig hebt.” Als argument voor dit uitstel geeft hij zijn mening dat “iemand die de kampen heeft overleefd” zich niet van het leven hoeft te beroven. Dan regelt Joeri Goletz zelf een wapen.
Het slot van het verhaal speelt op het kerkhof, waar de rabbijn uit de psalmen van David leest, beurtelings in het Hebreeuws en in het Frans. De opsomming van psalmfragmenten geeft aan dit verhaaleinde het karakter van een litanie.
Ook het verhaal 'Joeri Goletz' is gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen, deze keer in het leven van Kis zelf. Goletz, schrijft hij in een post scriptum, is zijn vriend Piotr Rawicz. Een vergelijkbare autobiografische inslag heeft het titelverhaal, 'De luit en de littekens', dat speelt halverwege de jaren vijftig en op het eind van de zestiger jaren in Belgrado. Ook hier is sprake van een emigrantengeschiedenis: een uit Rusland afkomstige vrouw vraagt aan de verteller om in Moskou, waar hij met een theatergezelschap heen gaat, te informeren naar het lot van haar zuster en van haar beste vriendin, van wie ze in tien jaar niets vernomen heeft. Hoe dit afloopt, wil ik niet navertellen, daarvoor is het te erg, en ook te subtiel door Kis geformuleerd. Wel kan ik zeggen dat de afronding van het verhaal getuigt van een wijsheid en een mededogen die maar zelden worden aangetroffen.
Tot de bewerkingen van andermans tekst behoort het verhaal 'De marathonloper en de baanrechter'. Abram Terts schreef het in een brief aan zijn vrouw vanuit het Siberische strafkamp, hij had het gehoord van een gevangene, aan wie het weer was doorverteld. Kis bouwt het verhaal uit tot een groteske nachtmerrie. Een man loopt mee in een marathon en hij begrijpt op een zeker ogenblik dat hij de wedstrijd van zijn leven loopt, op de helft van het parcours voelt hij zich alsof hij nog maar pas begonnen is, hij zal zeker een fantastisch record vestigen.
Maar dan, als hij in een soort voetbalveld is geleid, verschijnt er een baanwachter op zijn pad, die met zijn vlaggetje zwaait en hem maant te rusten. Natuurlijk weigert de man dit bevel en hij loopt door, maar bemerkt dat hij is opgesloten in een voetbalveld, omheind door roestig prikkeldraad. “U zult blijven staan, nummer Vijfentwintig. Ik beveel u te stoppen! Heeft u me gehoord? Stoppen!”
Deze droom van een kampgevangene, want dat is het, wordt gevolgd door een enigszins vergelijkbaar verhaal, 'De dichter'. Het gaat over een leraar die een sonnet schrijft tegen Tito en de Partij, althans zo vatten de agenten zijn werkstuk op en ze zetten hem in het gevang, waar ze met de arme man aan het dollen gaan, maanden- en maandenlang. De stupiditeit en het primitivisme van zijn gevangenbewaarders spreekt uit hun onbeholpen taalgebruik. Misschien is het in dit verhaal Kis toch niet helemaal gelukt de tragiek in de botte slap-stick van dialogen op te nemen. Het eind is in al zijn onontkoombaarheid onthutsend.
Het laatste verhaal, 'De schuld', verwijst naar het leven van de schrijver Andriï en bedient zich grotendeels van Kis' geliefdste stijlfiguur, die van de opsomming. Het betreft hier een litanie van schuldbekentenissen, een lange lijst van dankbetuigingen tevens, opgesteld door een stervende. Hier is Kis op zijn best, een schrijver, die een harde vorm kiest, niet om emoties ermee te beteugelen, maar juist om ze er in vrij te laten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.