recensie Karlijn Stoffels: 'Mosje en Reizele', Querido, 158 p, ¿ 29,90, vanaf 12 jaar.
De jeugdroman komt niet uit de lucht vallen. Karlijn Stoffels studeerde Nederlands en Frans, schreef al voor radio, televisie en theater, en de thematiek van oorlog, racisme en anders zijn komt ook in haar hoorspelen voor.
'Mosje en Reizele' is in drieën geschreven. Deel 1 en 3 vormen de lijst waarin deel 2 het schilderij is. De lijst is het heden: Tel Aviv, 1995; de gepensioneerde meubelmaker Mosje Schuster wordt gevraagd om voor de radio te vertellen over zijn ervaringen van 55 jaar geleden in het weeshuis van dr. Korczak. “Het is toch eigenlijk uw plicht. . .” probeert de journalist. Mosje weigert, wil met rust gelaten worden. “Ik heb schijt aan uw plicht. Het is een halve eeuw geleden, ik ben alles vergeten.”
Door de vraag, maar meer nog door een liedje op de radio van de Pools-joodse musicus Mordechai Gebirtig over 'het huis van mijn liefste' komen de herinneringen met geweld terug. Mosje is net te laat met het afzetten van de radio.
“In mijn hoofd, dat nu bijna uit elkaar barstte, buitelden de herinneringen over elkaar heen in hun haast om naar buiten te komen. Ik wankelde naar de tafel, gooide het bier om en liet me op de stoel vallen. Het huis van mijn liefste. . . Ik zag het in de verte. Niet op een afstand van duizenden kilometers en meer dan vijftig jaar terug in de tijd, maar een paar honderd meter van me vandaan. Ik kon het hek al zien, en het dak dat hoog uittorende boven de reusachtige kastanjeboom. Ik liep er langzaam en aarzelend naar toe, naar haar huis, het Huis van de Kinderen, dokter Korczaks weeshuis in de Krochmalnastraat.”
Dan volgt het hoofdverhaal, het schilderij over Mosje's ontluikende liefde voor Reizele, in het weeshuis. Door hemzelf in de ik-vorm geschilderd. Stilistisch detail: de lijst, het kader, dat in het heden speelt, is in de verleden tijd geschreven, maar het hoofdverhaal, dat in het verleden speelt, juist in de tegenwoordige tijd.
Een adembenemend verhaal is het, vaak keihard, vol galgenhumor, joodse moppen en wantrouwen naar volwassenen. De sfeer in het weeshuis is hard, maar dr. Korczak is op pedagogisch gebied een kunstenaar, die van de meest doorgewinterde straatjongen een meevoelend mens weet te maken. (Zijn 'Hoe hou je van een kind' uit 1920 wordt in het boek genoemd.)
Dwarse puber
Mosje ontpopt zich als dwarse puber die gewoon Pool wil zijn en zich ergert aan jiddisj sprekende orthodoxe joden in 'rare zwarte jurken': “Eeuwen en eeuwen wonen ze al hier en geen woord Pools komt uit hun stomme bek! Geen Pools boek hebben ze gelezen, geen Poolse worst gegeten, geen Poolse kleren gedragen. Geen wonder dat ze hier denken: rot maar op!”
Alsof je extreem-rechts anno nu hoort, uitgesproken door een joods kind. . . Maar zo hard, cynisch en wantrouwend hij soms kan zijn als het om overleven gaat, zo zacht en onzeker is hij naar Reizele toe.
Als het weeshuis wordt overgeplaatst naar een veel te klein, oud gebouw in het getto, begrijpt Mosje wat hen te wachten staat. Hij neemt afscheid van Reizele, vlucht en wordt koerier in het verzet tegen de nazi's. Een riskante onderneming: hij heeft wel een vals identiteitsbewijs, maar niemand mag ontdekken dat hij besneden is. Reizele beseft evengoed dat hun doodvonnis is getekend, maar ziet het als haar bestemming om bij de kinderen in het weeshuis te blijven. Zelfs zwaar ondervoed in het getto speelt ze nog piano, want bij dr. Korczak was muziek net zo belangrijk als eten.
Mosje's zwerftochten zijn intussen bloedspannend. Hij gaat op zoek naar Mordechai Gebirtig, de maker van een liefdesliedje over Reizele (vandaar de schok, 55 jaar later), moet op een boerderij varkensvlees (onrein) eten en komt bij de Partizanen terecht. Hij weet Reizele het liedje nog te brengen; als ze elkaar eindelijk hun liefde bekennen, stopt het verhaal. Dit alles is plastisch, indringend en met vaart beschreven, in een ritme waarin ontroering en afschuw elkaar afwisselen en versterken.
Na dit hoofdverhaal brengt deel drie de lezer terug naar Tel Aviv, 1995: Mosje besluit na deze herinneringen om toch naar de studio te gaan. Daar wacht hem een verrassing.
Karlijn Stoffels: een Nederlandse Uri Orlev, maar dan lyrischer? Uri Orlev is de Israëlische jeugdboekenauteur die veel schreef over het getto van Warschau en dit jaar de Hans Christian Andersenprijs kreeg. Ze móet wel joods zijn, denk je: zo precies zijn joodse feesten, gebruiken, woorden, grappen en gevoelens beschreven. Als ik het haar vraag, blijkt dat nauwelijks zo te zijn: “Voor een achtste misschien, iedere Amsterdammer heeft in de verte wel iets joods. Maar ik heb me van jongs af aan wel altijd geïnteresseerd voor alles wat joods is.” Ze heeft in Polen nauwgezet historisch onderzoek gedaan naar zowel het weeshuis van Korczak als het getto. Veel in haar roman is dan ook historisch - tot in detail zelfs -, al is Mosje opgebouwd uit verschillende kinderen die het weeshuis overleefden. Hoe dan ook: 'Mosje en Reizele' is een roman geworden waaraan alles puntgaaf is: inhoud, verhaal- en spanningsopbouw en schrijfstijl. Absoluut het debuut van het jaar.
Overigens was dr. Janusz Korczak (pseudoniem voor Henryk Goldszmit, 1878-1942) zelf ook kinderboekenschrijver. Zijn 'Koning Matthijsje de Eerste' verscheen bij Van Goor. Er is een kinderboekenprijs naar hem genoemd: de Janusz Korczakprijs, die overmorgen in Warschau uitgereikt wordt. Dit jaar is 'Het verboden kind' van de Nederlandse schrijfster Trude de Jong genomineerd: het aangrijpende verhaal, spelend in de jaren vijftig in Den Haag, van een meisje dat een Duitser als vader heeft, en dus niet mag bestaan.
De uitgebreide pedagogische werken van dr. Korczak worden uitgegeven door uitgeverij Bijleveld in Utrecht. Daar verschijnt volgend voorjaar ook zijn autobiografische 'Getto-dagboek', dat hij in de laatste maanden voor de deportatie naar Treblinka schreef.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.