*

 

Deze tempel van eendracht is op tweedracht gebouwd

T. VAN DEEL − 12/01/96, 00:00

recensie Pim Wiersinga: Gracchanten. Meulenhoff, Amsterdam; 616 blz. - ¿ 59,90.

Wiersinga moet heel wat werk verricht hebben vooraleer hij aan het schrijven kon beginnen, want 'Gracchanten' is een historische roman, die speelt in de tweede eeuw voor Christus, aanvankelijk in Babylonië en Klein-Azië, vervolgens in Macedonië en op andere plaatsen in Griekenland en ten slotte in Rome. De dominerende tegenstelling erin is die tussen Grieken en Romeinen.

Uit alles blijkt dat aan de tekst een grondige historische documentatie ten grondslag ligt en dat de historische personages die erin optreden, zoals Attalos III, koning van Pergamon, of de gebroeders Tiberius en Gajus Gracchus, de bekende Romeinse staatshervormers, zijn verbeeld met inachtneming van wat er uit bronnen over hen bekend is.

Hoewel de roman in hoofdzaak een produkt is van de verbeelding, ook hier, is het toch gebruikelijk dat de historische roman van kennis omtrent de geschiedenis en de historische omstandigheden getuigt.

Daar ligt ook een mogelijk bezwaar. Veel lezen en kennis verwerken, veel materiaal vergaren dat bruikbaar kan zijn voor het verhaal, kan ook zorgen voor een al te zware historisering. Hoewel Wiersinga in laatste instantie, als ik het goed zie, een psychologische historische roman heeft willen schrijven, wemelt het in zijn boek van de verwijzingen naar en toespelingen op zijn bronnenmateriaal en aangezien het verhaal, zoals al uit de verschillende locaties valt op te maken, een breed uitwaaierend, avontuurlijk verloop heeft, bestaat er een zekere frictie tussen de verwerking en de verbeelding. Wiersinga zit goed in de geschiedenis, maar hij moet dat ook wel vaak laten merken.

Niet alleen het historische karakter van het boek dwingt respect af, ook de weidse opzet doet dat. De hoofdfiguur en verteller Skamander schrijft op veertigjarige leeftijd zijn memoires en hij richt die aanvankelijk aan het adres van de moeder der Gracchen, Cornelia Sempronia, van wie hij het landgoed ten geschenke heeft gekregen, waarop hij nu zit te schrijven. Hij is de zoon van de Macedonische generaal die (in 168 v. Chr.) de beslissende veldslag tegen de Romeinen bij Pydna verloor. Deze Andriskos is vervolgens het verre Azië in getrokken, waar hij Skamander heeft verwekt, die dus geen volbloed Griek is.

Zowel de vader als de moeder spelen in Skamanders herinneringen zoals hij ze op schrift stelt een centrale rol. De vader, omdat hij samen met zijn zoon in het begin van de roman op terugreis is naar Macedonië, waar hij een poging onderneemt tot opstand tegen de Romeinse overheersers, een poging die jammerlijk mislukt en hem het leven kost. De moeder, omdat Skamander haar nooit gekend heeft en in de veronderstelling verkeert dat zij leeft, terwijl ze, zoals op het eind blijkt, bij zijn geboorte al gestorven is. Er is wel wat voor te zeggen de roman op te vatten als een Muttersuche.

Het is ondoenlijk in kort bestek een indruk te geven van de talloze episoden en scènes waarin Wiersinga het verhaal van Skamanders leven, van zijn negende tot zijn veertigste jaar, heeft vastgelegd. Kleurrijk zijn de wederwaardigheden in de stad Babylon, waar vader en zoon stoffen proberen te slijten in de hogere kringen. Sfeervol is de voorbarige kroning van de jeugdige Skamander tot koning van Macedonië, een kroning op touw gezet door zijn oproer kraaiende vader.

Er komt in 'Gracchanten' geen eind aan de afwisseling van avonturen, het lijkt vaak sprekend een jongensboek. Skamander beleeft van alles, hij wordt de pleegzoon van de Romein die zijn vader heeft gedood; hij vestigt zich in Korinthe als schandknaap en wordt daar de bijslaap van de Romeinse gezant Blossius; hij wordt door zogenaamde piraten gekaapt en naar Kreta gebracht, waar hij de derde wordt in de liefde tussen Alexandra en Minos. De laatste zal hij, veel later, op instigatie van de moeder der Gracchen, in zijn slaap lafhartig vermoorden.

Zo vol is de roman, dat er op den duur eerlijk gezegd een zekere vermoeidheid gaat optreden en ook gedesoriënteerdheid door al die verschillende plaatsen en personages. Het is eenvoudig te veel, de roman raakt bedolven door de eigen overvloed. De moeder der Gracchen schrijft dan ook heel terecht, na lezing van het eerste gedeelte:

“Ons geheugen is als een sleepnet in ondiep water: het komt vol te hangen met wieren en krabben en stukjes koraal, en wie verzuimt het tijdig op te halen verliest alles, want het zal scheuren onder de last. Onder dwang van de taal vertakken de herinneringen, of ze nu juist zijn of niet, zich steeds minutieuzer, ze verstikken elkaar en vliegen elkaar in de haren. Ook in jouw relaas gebeurt dit: naarmate je Macedonië nadert verlies je je in zijsporen. Byblos, Pergamon, de schanddaad van je vader met Helena. Je bent almaar negen. Nu veertig. Hoe denk je dit werk anders te eindigen dan in waanzin?”

Nu, in waanzin wordt het niet beëindigd, eerder wordt de cirkel rond gemaakt, al klinkt dat veel te harmonisch voor een zo mateloze roman. Aan het eind is Skamander doordrongen van de waarheid van het orakel van Delphi, waar hij ooit te horen kreeg: “Deze tempel van eendracht is op tweespalt gebouwd.”

Het lijkt een korte samenvatting van de thematiek van de roman. In talloze variaties worden tegenstellingen uitgewerkt, tussen Grieken en Romeinen, de regeerders en het volk, vaders en moeders, mannen en vrouwen, Apollo en Dionysos. Skamander wordt een Aziaat genoemd en hij voelt zich bijzonder aangetrokken tot de Dionysosdienst, en deze god van de roes is uit Azië afkomstig. Hij speelt in de roman onder meer de 'Bacchanten'. De titel van de roman is een contaminatie tussen 'Gracchen' en 'Bacchanten' en misschien te lezen als een bewijs dat de tempel van eendracht op tweedracht is gebouwd.

Veel blijft nogal duister wat dit aangaat, of alleen maar onhelder doordat het verstopt zit in die gigantische brij van tekst. Skamander wordt vaak een efebe genoemd, iemand die het midden houdt tussen een man en een vrouw. Toch is hij in zijn levensdrift geen apollinische figuur, die zelfkennis nastreeft, maar dionysisch gericht:

“Ik lever me over aan de god wiens naam in Rome niet eens gefluisterd mag worden, de heerser over de wilde, uitbottende levensdrift in al zijn gedaanten - over halsreikende knoppen en blaadjes niet minder dan over de uitwaaierende en zich dan weer verstrengelende wegen in het labyrint van de geest. Ik ben de god trouw gebleven, altijd.”

'Gracchanten' is een roman die strakker in de hand gehouden had moeten worden. Dat is een compositorisch bezwaar. Daarnaast werkt de, laat ik zeggen antikiserende stijl van vertellen op den duur haast verdovend. “Ach, hoe vluchtig is ons geheugen, hoe grillig beukt de branding van het vergeten op het zand van de tijd.” “Mijn verbazing had niet groter kunnen zijn, het weerzien niet verrassender.” “'Zwijg!' siste ik hem toe.”

Het past niet om zo een paar zinnetjes uit die vele duizenden te lichten, maar ik wil ermee aangeven dat de stijl in dit boek zo helemaal de aangenomen stijl is voor wat zo helemaal geacht wordt de stijl te zijn van een antieke historische roman. Misschien is het vooral daardoor dat uiteindelijk de lezing van dit boek, met alle respect, nog een zware opgave bleek.

mailIcon print |