*

 

EEN GROTE OS IS OP MIJN TONG GESTAPT

HANS ORANJE − 19/01/96, 00:00

recensie Aischylos: Oresteia. Agamemnon, Offervrouwen, Wraakgodinnen. Vert. M. d'Hane-Scheltema. Atheneaum, Polak & Van Gennep, Amsterdam; 184 blz. - ¿ 49,90. Aischylos: Het verhaal van Orestes. Agamemnon, Dodenoffer, Goede Geesten. Vert. Gerard Koolschijn. Atheneaum, Polak & Van Gennep, Amsterdam; 200 blz. - ¿ 49,90.

Er is nog een opvallende overeenkomst. De 'Agamemnon' is het eerste stuk van de trilogie de 'Oresteia'. Het personage dat het brandpunt is van de hele trilogie, Orestes, treedt pas op in de twee laatste stukken. Hij heeft met Hamlet gemeen dat zij beiden de zoon zijn van een moeder die hun vader heeft vermoord. De plicht de moord op de vader te wreken drijft Orestes tot de uiterste daad die een mensenkind kan verrichten. Diezelfde plicht brengt Hamlet juist tot dadenloosheid, wat hem overigens wel, als we zijn vriend Horatio mogen geloven, een tocht onder engelengezang naar de eeuwige rust oplevert.

Hoewel vertalingen van klassieke schrijvers de laatste jaren in een overweldigende hoeveelheid op de markt verschijnen, is de gelijktijdige uitgave van twee vertalingen van de 'Oresteia' een evenement. Beide vertalers zijn in het verleden bekroond met de Martinus Nijhoffprijs: M. d'Hane-Scheltema en Gerard Koolschijn. Hun vertalingen verschillen niet alleen sterk van elkaar, maar ze staan ook voor twee verschillende vertaalopvattingen. Dat maakt deze dubbele uitgave zo bijzonder.

Met de Griekse tekst van Aischylos is het bijzonder moeilijk gesteld. Ik beperk me nu tot de 'Agamemnon', de tragedie waarin Agamemnon, de veldheer die zegevierend terugkeert uit de Trojaanse oorlog, samen met zijn oorlogsbuit, de zieneres Cassandra, door zijn vrouw Klytaimestra met bijlslagen wordt omgebracht in het bad dat hij na thuiskomst neemt. Het is verreweg de langste en mooiste tragedie, en de problemen zijn er het grootst.

De problemen zijn zo groot, omdat de tekst maar in enkele handschriften (voor een groot deel van de 'Agamemnon' maar in één handschrift) is overgeleverd. Die overlevering zit vol fouten, lacunes, onmogelijke zinsconstructies en ga zo maar door. Je hebt de filologen om te proberen zo gewetensvol en zo scherpzinnig mogelijk (die eigenschappen komen vaak in conflict met elkaar) te reconstrueren wat Aischylos zelf geschreven moet hebben.

Maar dan, als dat al eeuwen durende en nimmer voltooide werk gedaan is: dan heb je een tekst. Wat betekent die? Het probleem is ernstiger dan Koolschijn in zijn inleiding zegt: “De betekenis van afzonderlijke woorden is meestal wel duidelijk, maar naar hun gevoelswaarde is het steeds weer gissen.” In werkelijkheid is zelfs de betekenis van de woorden in hun samenhang in een zin vaak onduidelijk: daar begint voor de vertaler, die de resultaten van de filologenarbeid dankbaar accepteert, het grote giswerk.

Bij dat giswerk staan D'Hane en Koolschijn tegenover elkaar. Een voorbeeld. In het tweede koorlied vertelt het koor de toeschouwers van de diep beledigde Menelaos (broer van Agamemnon), zoals hij in zijn paleis zit nadat zijn vrouw Helena door de Trojaanse prins Paris is geschaakt. De Griekse tekst geeft dan: “Bevalligheid van mooi gevormde beelden roept haat op bij de man, en in leegte van ogen is elke Afrodite weg.”

Wat voor beelden zijn dat? Standbeelden van Helena in het paleis? Vrouwen- (of mensen-)beelden in het algemeen? Spreekt het koor met 'de man' over Menelaos of over iedere bedrogen echtgenoot? Dat 'Afrodite' hier staat voor 'paringslust' (het diepste wezen van deze godin) is aannemelijk. Maar over welke ogen gaat het? Die van de man, of die van beelden? Dat laatste kunnen wij ons nu natuurlijk extra goed voorstellen, omdat bij klassieke beelden de schildering van de ogen op het marmer al lang is verdwenen en ze daardoor uitdrukkingsloos zijn geworden.

Het is een simpel voorbeeld van wat zich voortdurend voortdoet - zoals Koolschijn zegt: “Aischylos' Oresteia vertalen is rondtasten in het duister.” Mevrouw D'Hane kiest voor een 'leestekst'; dat wil zeggen dat de vertaalde tekst waar mogelijk de problemen oplost en dat we meteen een interpretatie krijgen aangeboden. Daarbij biedt zij een betrouwbare interpretatie, die vaak teruggaat op het degelijke commentaar van P. Groeneboom. Voor 'wild vertalen' hoef je bij D'Hane niet bang te zijn. Zo geeft zij voor de boven geciteerde zinnen: “De schoonheid van haar beelden / verwekt nu haat bij hem / en in zijn holle blik vergaat / iedere hoop op liefde.” Dat beeld is duidelijk: bij de glazig voor zich uit kijkende Menelaos roepen de overal in het paleis aanwezige afbeeldingen van de verdwenen Helena geen verliefdheid meer op.

Koolschijn biedt zo'n interpretatie niet: “De gratie van prachtige beelden / is hem een gruwel / omdat in de leegte van de ogen / elke liefde ontbreekt.” Hier blijf je als lezer met vragen: wat voor beelden, welke ogen? Zijn opvatting hoe je moet vertalen, brengt Koolschijn onder woorden in een negatieve en gechargeerde uitspraak, zoals hij die graag in de voorwoorden van zijn vertalingen rondstrooit: “De gewoonte van veel classici om vertalingen van literair werk vergezeld te laten gaan van een uitleg van de veronderstelde bedoelingen en de religieuze, morele of politieke overtuigingen van de schrijver, beschouw ik als een belediging voor schrijver en lezers.”

Het gaat bij het vertalen van Aischylos natuurlijk niet om bedillerige uitlegkunde, maar om een tekst (die vijftig jaar na de dood van de schrijver voor de goed opgeleide Griek al onbegrijpelijk was geworden) voor de moderne lezer een begin van begrijpelijkheid te geven. Koolschijns opstelling tegenover de lezer lijkt bescheiden, maar is in feite arrogant.

Dat neemt niet weg dat Koolschijn regelmatig het gelijk aan zijn kant heeft. Zo al meteen in de proloog, waar de paleiswacht zegt te zwijgen over wat er in het huis gaande is: “Een grote os is op mijn tong gestapt.” Het is een oud Grieks spreekwoord, waarvoor in de oudheid al fantasie-verklaringen werden bedacht. Het zware gewicht van naderend onheil klemt de tong van de wachter vast, en wat is voor een Griek zwaarder dan een grote os? Terecht laat Koolschijn het spreekwoord staan, terwijl mevrouw D'Hane de lezer hier te veel tegemoet komt: “Mijn tong verstomt en blijft zwaar afgegrendeld.”

Natuurlijk ontkomt ook Koolschijn er niet aan dat hij de tekst van Aischylos moet interpreteren. In het tweede koorlied wordt de macht van Zeus geprezen die de onrechtvaardige straft. De eerste strofe eindigt (vertaling Groeneboom, 1944): “geen beschutting is er voor den man, die in de oververzadiging van den rijkdom Iustitia's verheven altaar treedt in het niet.” Nu is het in het Grieks zo dat je het woord 'rijkdom' eventueel ook met 'beschutting' kunt verbinden. Dat levert op: “een man vindt geen beschutting in zijn rijkdom als hij, oververzadigd, het grote altaar van het Recht uit zijn blikveld wegschopt.” Dat zou een aardige variant zijn op een Hollands spreekwoord: “Al is het geld dan nog zo snel, Gods recht dat achterhaalt het wel.”

Wat moet je kiezen als vertaler? Ik zou zeggen: de eerste mogelijkheid. Het werk van de classici aangaande versleer, Aeschyleïsche frasering, Griekse woordvolgorde en noem maar op, voert bijvoorbeeld de meest eminente commentator van de 'Agamemnon', Eduard Fraenkel, tot die conclusie. D'Hane doet het dan ook zo: “Geen afweer immers bestaat nog / voor iemand die in zijn welvaart / Dike's machtige altaar ruwweg / tegen de grond trapt'. (Dat Dike de godin van de gerechtigheid is, kan de lezer vinden in de namenlijst aan het eind van het boek).

Koolschijn kiest anders: “iemand die, oververzadigd, / het grootse altaar van het recht / uit de weg heeft getrapt, / vindt in rijkdom / geen fort om te schuilen.” Natuurlijk mag Koolschijn die keus maken, maar het zou een misvatting zijn te pretenderen dat Aischylos het zo heeft geschreven (integendeel zelfs, als je op zoiets als woordvolgorde let).

Kortom: nu eens is Koolschijn beter, dan weer D'Hane. De laatste vertaalt vloeiender, klinkender; de eerste stroever, en daardoor regelmatig beter. Alhoewel, in de grootse scène waarin Klytaimestra haar echtgenoot over purperen kleden zijn paleis wil laten binnenschrijden (een schitterende vondst van Aischylos om het aanstaande bloedbad te verbeelden), is Agamemnon bij D'Hane beter gebekt: “En verder hoef je mij niet op te sieren met die vrouwenpoespas, mij niet als een oosterling kruiperig toe te kakelen met luide stem, en spreid mij zeker niet dat aanstootgevend pad van kleden. Want die dienen slechts voor godeneer.” Koolschijn: “Ook verder moet je mij niet, zoals een vrouw dat doet, willen paaien, me niet kruiperig als een barbaar luidkeels toegalmen of hier met uitgespreide kleden een pad maken dat aanstoot geeft. Goden hoort men zo te eren.”

Ik vrees dat de geïnteresseerde lezer er niet aan ontkomt beide vertalingen te kopen: D'Hane voor het stuk en het verhaal, Koolschijn voor de nog niet vermoede momenten van schoonheid en kracht daarin. En als hij ze koopt, allebei voor de heb.

mailIcon print |