recensie Rudi van Dantzig: Afgrond. Atlas, Amsterdam; 319 blz. ¿ 39,90.
Voor de rest bestaat 'Afgrond' uit herkenbare en realistische verhalen over de grimmigheid van de wereld. Telkens zijn kinderen de dupe van de liefdeloosheid en het keiharde egoïsme van de volwassenen. Van Dantzig: “Het vreemde is, dat terwijl ik in het laatste stuk mijn ouders bij elkaar breng, de verhouding ouders-kinderen in al die andere verhalen zo contactloos en kil is.”
“Voor mij is het gezin inderdaad essentieel; kun je dat tegenwoordig nog zeggen? Ik heb toen ik een jaar of dertien was een brief van mijn moeder gelezen, ik vond 'm in een kast onder de lakens. Mijn vader was tewerkgesteld in Duitsland, en in die brief schreef ze dat ze hem soms haatte, om de manier waarop hij met mij omging, dat hij alleen bezig was met studeren, dat zij bijna niet met elkaar praatten. Ik heb het pas weer gelezen en dat was heel bitter.”
“Ik heb gevoeld dat ik een conflictpunt was tussen mijn ouders, terwijl ik toch dol op ze was, en zij ook op mij. Het is ook een schuldgevoel, ik heb ze teleurgesteld, door ze geen echtgenote thuis te bezorgen of kleinkinderen. Dat schuldgevoel kun je niet beredeneren, dat is in je gegroeid. Misschien koester je dat ook nog wel, dat onaffe. Nooit aan een goed beeld voldoen, dat is een deel van jezelf.”
Nog zo'n leidmotief: de onmacht en wanhoop als op cruciale momenten gevoelens van liefde en tederheid niet uitgesproken kunnen worden. Dan slaat het valluik dicht. Terwijl er een schreeuwend verlangen is. Van Dantzig: “Ik heb dat schreeuwende verlangen, verknopt in mijzelf, het is moeilijk om daarover te praten, daar word ik heel emotioneel over. Ik kan op momenten dat ik iets moet gaan zeggen, soms totaal dichtklappen. Ik ben 's, toen ik Toer (Van Schayk, red.) voor moest stellen, opeens zijn naam kwijt geweest, die ik dertig, veertig jaar ken! Dat is paniek van binnen.”
Het merendeel van de verhalen is fantasie, gevoed door zijn nieuwsgierigheid en het begaan zijn met het lot van mensen; ontzetting soms, zoals in het geval van de junkie die met een dun draadje aan het leven hangt. Van Dantzig: “Ik ben nu bezig met de dagboeken van Willem Arondeus. Een schilder die in de oorlog het bevolkingsregister in brand heeft gestoken en toen is opgepakt en gefusilleerd. Hij wordt opeens een held, die blijmoedig de dood ingaat. Die dagboeken zijn zo eenzaam, daar herken ik heel veel van mezelf in. Er is een soort woestijn in homoseksualiteit, dat blijft mij boeien, beangstigen, bevreemden. Ik denk dat veel homoseksuelen een onvervulbaar verlangen hebben, er is iets wat niet klopt. Een heleboel homo's zullen me nu op mijn kop slaan, maar anderen zullen dat onmiddellijk herkennen. Aan het eind heeft hij tegen zijn advocate gezegd, zeg maar tegen de buitenwereld dat de homoseksuelen niet alleen maar zachtmoedige lafaards zijn, dat ze ook hun mannetje kunnen staan. Dat heeft hem dus zijn hele leven wel dwars gezeten.”
Rudi van Dantzig, van huis uit danser en choreograaf, en voormalig artistiek leider van Het Nationale Ballet, schreef eerder boeken over zijn liefde voor een Canadese soldaat tijdens de bevrijding, en over het fenomeen Rudolf Nurejev. Schrijven noemt hij een verschrikkelijk zware opdracht. “Bij mijn eerste twee boeken heb ik geput uit herinneringen, daarom was dit boek voor mij erg belangrijk. Hiermee moet ik bewijzen of ik dit wel of niet kan, of ik een schrijver ben of niet, een beetje. Schrijven is helemaal met jezelf geconfronteerd worden en met stilte en met eenzaamheid. Ik denk dat ik nooit écht een schrijver word.”
Wat mensen drijft is een keihard egoisme, Rudi van Dantzig laat keer op keer aan de duidelijkheid van zijn boodschap niets te wensen over. “Dat is het dier in ons. De rede is wat we willen, christelijk zijn, socialistisch zijn, sociaal zijn, en toch blijft steeds dat dierlijke daar doorheen spelen. Dat is de tragedie en het verschrikkelijke van mens-zijn, en dat vind ik ook het beangstigende van de ontwikkelingen nu, dat je die instincten in het kapitalisme mag botvieren. Vroeger zag ik dat wel in Amerika en ik dacht, dat kan in Nederland niet gebeuren. En nu is het hier ook gewoon geworden. Is dat dan de vooruitgang, is dat wat de markteconomie en het kapitalisme ons brengen? Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Dat is voor mij de grondslag van deze verhalen. Mensen worden steeds meer op zichzelf teruggegooid.”
Sommige verhalen blijken rechtstreeks ontsproten te zijn aan radio- of televisieberichten, zoals dat verhaal over een gezin dat op vakantie ging en door een vrachtauto verpletterd werd. Of die beelden van een vader en moeder die in aanwezigheid van hun te klein gebleven zoon vertellen dat hij beter dood had kunnen zijn. “Ik dacht, wat doen jullie, wat gebeurt hier, wat gaat er in zo'n jongetje om?!”
In twee gevallen sterven mensen die net met geweld hun eerste seksuele ervaringen hebben gehad. Dan lijkt de dood bijna genadig, een verlossing? Van Dantzig: “Ik heb dat einde niet als verlossing bedoeld. Dat is het lot, de onredelijkheid van het leven dat iemand die je een oplossing gunt, hem niet krijgt.”
Een echte constante is de onverenigbaarheid van seksualiteit en liefde. “Ik vind het nog steeds vreemd om van iemand te houden en tegelijk seksueel te begeren, dat is een wankel evenwicht. Het ene is jezelf voor iemand uitschakelen, en het andere is alleen met jezelf bezig zijn, hoe ideëel of ideaal je ook over seksualiteit mag praten. Ik heb dieren zien paren: het paard graasde door, terwijl ze gepaard werd, heel raar. Ik denk dat veel van onze problemen gebaseerd zijn op de worsteling met seksualiteit.”
Des te opmerkelijker is het dat het mooiste moment in de hele bundel ligt in de hartstochtelijke, seksuele verhouding tussen twee broers en hun zus. Van Dantzig: “Ja, een soort nestwarmte. Nooit uit de vertrouwde omgeving weggaan en bij elkaar blijven. Samen tegen de boze buitenwereld. Hugo Claus heeft er een fantastisch stuk over geschreven, 'Een bruid in de morgen', dat heeft vroeger een verpletterende indruk op me gemaakt.”
“Maar de grootste troost zit in de laatste zinnen als ik zeg over mijn ouders dat ik me nog zorgen om ze maak en dat zij vleugels hebben gekregen en de afgrond zijn ontstegen. Dat vind ik eigenlijk negatief, om het leven af te schilderen als een afgrond waar je pas aan ontstijgt als je dood bent. Het is een soort bezwering, een ritueel, want ik weet toch verdomde goed dat je het hier moet doen. Ik geloof niet in een hiernamaals.”
“Toen mijn moeder was overleden zei ik tegen mijn vader: 'Misschien ziet ze ons wel daarboven.' Om hem te troosten, bij wijze van ritueel, je wilt dat op een of andere rare manier. Toen zei hij: 'Nee hoor, een mens is net een vliegtuig, als het naar beneden valt is het kapot.' Dat schokte me zo.”
“Hij werkte bij Fokker en dank zij Fokker heb ik dus danslessen kunnen nemen. Hij bracht papier mee van Fokker, werktekeningen, hij was technisch tekenaar, en op de achterkant daarvan zat ik altijd te tekenen en verhaaltjes te schrijven.”
'Vleugels', de titel van de kleine afdeling herinneringen, heeft ook betrekking op het moment dat hij uit welke beangstigende, verwarrende of gewelddadige situatie dan ook weg zou willen, verdwijnen, vleugels krijgen. “Als kind had ik nachtmerries, dat ik in vreselijke situaties zat en op het laatste moment weg wilde vliegen. Mijn vader had een schuilkelder waar hij in kon verdwijnen als er eventueel een razzia zou zijn, hij repeteerde wel eens hoe snel dat kon: het zeil weg, de schoenen weg, het luik open, zeil er overheen, schoenen er overheen. Dan had ik nachtmerries dat ik dat luik inging en in duistere ruimtes vloog en de vreemdste dingen tussen de huizen vond. Als een vleermuis in het donker.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.