*

 

Dominee tussen advocaat en dokter

Jan Greven − 13/04/99, 00:00

recensie Aan het begin van zijn 'In dienst van het koninkrijk, Beroepsontwikkeling van hervormde predikanten in negentiende-eeuws Nederland' verbaast David Bos zich er over, dat hij bij zijn studie nauwelijks literatuur over dit onderwerp gevonden heeft.

Levensbeschrijvingen van individuele predikanten genoeg - Bos noemt het schrijven van een biografie 'hét toegangsbewijs tot het gilde der Nederlandse kerkhistorici'. Maar ook 'weten veel kerkhistorici niet zo goed raad met het begrip 'maatschappij'. Dat de kerk zelf deel uitmaakt van 'samengeleefde werkelijkheid' wil er bij veel van hen niet in.

Daar komt bij dat de hedendaagse godsdienstsociologen ook geen interesse voor kerkhistorische onderwerpen hebben. Ze zijn, nog steeds volgens Bos, maar in één maatschappelijke verandering geïnteresseerd: de ontkerkelijking. Zo houden de kerkhistorici 'elkaar in de wurggreep van het biografisch detail' en blijven de godsdienstsociologen hun heil verwachten van grootschalige 'surveys' over 'zingevingssystemen' en 'plausibiliteitsstructuren'.

Nu is oog voor de maatschappelijke realiteit waarin gewone mensen leven noch van theologen noch van de kerk in het algemeen een in het oog springende eigenschap. Maar er is op het raakvlak van kerkgeschiedenis en sociologie toch wel het een en ander gedaan, zij het niet door kerkhistorici. Ik denk bijvoorbeeld aan 'gewone' historici als Van Deursen en Van Weerden.

Laatstgenoemde schreef een studie over de Afscheiding in de hervormde gemeente van Ulrum, waar het onder Hendrik de Cock in 1834 allemaal begon, met als uitgangspunt de sociale structuur ter plaatse. Bos behandelt Afscheiding, De Cock en Ulrum, maar geeft er in tekst noch literatuurlijst blijk van het werk van Van Weerden te kennen. Als je, terecht, constateert dat er maar heel weinig is, gebruik dan in elk geval wat er wel is, zou ik zeggen.

Deze kritische noot komt niet in mindering op het plezier waarmee ik het boek van Bos gelezen heb. Door zijn aanpak als socioloog die de geschiedenis bestudeert, wordt de kerkgeschiedenis alledaagser. Niet alleen 'eeuwige zaken' als geloof en rechtzinnigheid, maar ook aardse kwesties als de maatschappelijke positie van de predikant en de verhouding tussen predikant en gemeente komen aan bod.

Alles begint in de negentiende eeuw met 'Het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde kerk in het Koninkrijk der Nederlanden', waarin de predikant een veel onafhankelijker positie kreeg dan eertijds in de Republiek.

Waar eerst het zwaartepunt van het kerkelijk bestuur lag bij de classicale vergaderingen, samengesteld uit predikanten en ouderlingen, verschoof dat vanaf 1816 naar een door de Kroon benoemde elite van hoogleraren theologie, grotestadspredikanten afkomstig uit het patriciaat en een enkele ouderling afkomstig uit de rechterlijke of de bestuurlijke macht.

Bos laat zien dat deze nieuwe opzet, hoe ondemocratisch en feitelijk onprotestants ook, de predikant in eerste instantie alleen maar voordelen bracht. Hij kreeg een door de staat gegarandeerd tractement en ging er in status op vooruit, doordat een universitaire opleiding de toegang tot het predikantschap werd. Lag vroeger de nadruk op het kerkelijk examen dat 'proponenten' moesten afleggen om hun gooi naar een predikantsplaats te verwerkelijken, nu volstond het academisch examen. Als gevolg van dit alles ging de dominee tot de deftige stand behoren van advocaten, rechters en hoge ambtenaren.

Deze bevoorrechte positie had ook een nadeel. De predikant werd onderdeel van de deftige burgerij en behoorde niet langer tot een aparte geestelijke stand.

De geschiedenis van het predikantschap in de negentiende eeuw, zoals Bos die schetst, is de geschiedenis van de teloorgang van die sociaal bevoorrechte, maar ten opzichte van de eigen kerkelijke gemeente, geïsoleerde positie. Aan het eind van de eeuw heeft de plaatselijke kerkenraad zijn invloed herwonnen. Met als gevolg dat de predikant zowel aan deftigheid als aan onafhankelijkheid aanmerkelijk heeft ingeboet.

Maar ook dat is niet uitsluitend nadelig. De dominee moet weer aandacht hebben voor de spirituele wensen en noden van zijn gemeente en daar in zijn beroepsuitoefening rekening mee houden.

De beroepsgroep waaraan hij zich aan het eind van de eeuw spiegelt, is dan niet langer de advocaat, zoals aan het begin van de eeuw (de advocaten- en domineestoga zijn niet voor niets identiek), maar de dokter. De dokter, die zich door de mengvorm van gezag en luisterend oor zo'n belangrijke vertrouwenspositie in de plaatselijke gemeenschap heeft verworven.

Die spiegeling geschiedt met enige jaloezie: het maatschappelijk aanzien van de dokter is in de loop van de eeuw net zo sterk gestegen als dat van de predikant is gedaald. Want statusvermindering is de prijs geweest voor een ontwikkeling van 'ambtenaar met de titel van profeet' uit het begin van de eeuw tot geestelijk leidsman van een plaatselijke gemeente aan het einde.

David Bos schreef over die ontwikkeling een ontspannen, vaak geestig boek, dat je niet alleen veel leert over de negentiende-eeuwse dominee, maar ook over de 'vaderlandse kerk' en - het is per slot een sociologische studie - over de eigenaardigheden van de Nederlandse maatschappij.

David Bos, In dienst van het Koninkrijk. Beroepsontwikkeling van hervormde predikanten in negentiende-eeuws Nederland. Uitgeverij Bert Bakker, fl 49,90.

mailIcon print |