*

 

'Ik dacht van dat zal wel fout zijn'

JAAP DE BERG − 02/01/98, 00:00

recensie Voor liefhebbers van serieuze Nederlandse-taalkunde zijn dit genotvolle maanden. Uitgevers trakteren hen op de ene surprise na de andere. Eerst een uitgebreide ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst), toen een dito versie van Van Dale's 'Etymologisch woordenboek', en nu een 'Geschiedenis van de Nederlandse Taal'.

Daar zijn er in luttele jaren drie aan voorafgegaan: overzichten van J. M. van der Horst en F. J. Marschall (heel beknopt, 1989/1992), M. van der Wal en C. van Bree (een Aulapocket voor beginnende studenten, 1992) en J. W. de Vries e. a. (kleurrijk en eenvoudig, 1993). In omvang, diepgang en vertoon van geleerdheid worden ze door de nieuweling ruimschoots overtroffen.

Zo'n twintig deskundigen vatten er hun kennis en vermoedens in samen. Het resultaat is een standaardwerk wat de belangstellende amateur stof aanreikt voor jaren studie. Als de vorige zin hem niet bevalt - omdat hij alleen een standaardwerk dat . . . wenst te accepteren - kan hij bij redacteur M. C. van den Toorn nalezen dat de constructie met wat, al in de Middeleeuwen aangetroffen, “niet meer als ongrammaticaal kan worden beschouwd”.

Het boek deelt het Nederlands in zeven perioden in, elk goed voor een kloek hoofdstuk, en besluit met verhandelingen over het Nederlands in België en het Afrikaans. Er is vrij wat politieke en cultuurhistorie in verwerkt, maar ook de ontwikkeling van het klanksysteem, de woordvorming, de zinsbouw en de woordvoorraad krijgen het volle pond.

Veel zal alleen de vakman doen likkebaarden. Het lot van de o-stammen in het Oudnederlands kan menigeen ongetwijfeld gestolen worden, evenals dat van de leenwoorden uit het Oudfrans in de vroege Middeleeuwen of de ontwikkeling van het onderschikkend voegwoord in de late. Vanaf de 16de eeuw valt er voor de doorsnee-liefhebber meer te savoureren, van bijbelvertalingen tot de opkomst van je en u, en van de geschiedenis van woordenboeken tot de in de 19de eeuw losbrandende spellingstrijd. Het is maar een heel kleine greep uit een hoorn des overvloeds.

Het dichtst bij huis blijft M. C. van den Toorn, een van de eindredacteuren, want hij neemt de twintigste eeuw voor zijn rekening. Als algemene tendensen van onze tijd ziet hij: een groeiende tolerantie op gebieden als uitspraak en woordkeus ('een uitgesteld effect van de Tweede Wereldoorlog'); de opmars van informele taal, tot in de dichtkunst toe; het taaie voortleven van dialecten; en een verzwakking van de standaardtaal die vóór de oorlog niet voor mogelijk was gehouden.

Zo ongeveer alles wat conservatieve taalgebruikers kan ergeren - waaronder de Gooise /r/, de teloorgang van wier, constructies als 'ik dacht van dat zal wel fout zijn' en 'chocola ben ik niet dol op' - bespreekt Van den Toorn zonder de vinger te heffen. Partijkiezen doet hij maar een enkele keer, bijvoorbeeld om de critici van 'kinderbeveiligde sluitingen' en 'lichaamsgevormd verband' te kapittelen. Hun protest heet onterecht, omdat dit soort woordvorming voor een Germaanse taal normaal is en met woorden als doelgericht en noodgedwongen allang is ingeburgerd.

Een waarschuwinkje tot slot. Aan de hedendaagse neiging tot informalisering hebben de schrijvers zelf hardnekkig weerstand geboden. Dit is een boek voor doorbijters, die zich niet laten afschrikken door jargon als: deze zin bevat “een modale operator die door de preteritale vorm een modificerend element aan de propositie toevoegt”. Een overzicht van taalkundige termen en begrippen ontbreekt. Een register ook.

De 'Geschiedenis van de Nederlandse taal' is voortgekomen uit een initiatief van P. C. Paardekooper. Wegens meningsverschillen over taalhistorische kwesties trok hij zich later uit het project terug. Wie van deze eigenzinnige taalgeleerde en -politicus niet méér weet dan dat hij 'groter als' verkiest boven 'groter dan' en ooit België uitgezet is, kan nader en aangenaam kennis met hem maken in Liesbeth Koenens 'Het vermogen te verlangen (9 letters)'.

Voor de eerste editie (1990) interviewde Koenen 20 binnen- en buitenlandse experts over taal en taalkunde; in de tweede, net uit, zijn er 15 bijgekomen. Bovendien heeft ze de oudere interviews van deels uitvoerige naschriften voorzien. Koenen, een vlotte schrijfster met kennis van zaken én journalistiek-didactisch talent, geeft een levendige indruk van wat vorsers van Chomsky tot Hugo Brandt Corstius zoal bezighoudt, waaronder de biologische bepaaldheid van het taalvermogen, gebarentaal, versprekingen, het ideaal van een Eurogrammatica, Opperlands, kindertaal, afasie en de macht van verwensingen.

De titel is uiteraard een cryptogram-opgave. Te moeilijk? Troost u met de wetenschap dat zelfs de hoogleraar betekenisleer en maker van puzzelwoordenboeken Verkuyl/Verschuyl in het interview met Koenen het antwoord zo gauw niet kon vinden: taal-kunde.

mailIcon print |