recensie Kurt Tucholsky: Gesamtausgabe: Texte und Briefe. Bezorgd door Antje Bonitz, Dirk Grathoff, Michael Hepp en Gerhard Kraiker. Band 4: Texte 1920. Band 20: Briefe 1933-1934. Rowohlt Verlag, Frankfurt; gebonden, 911 en 1039 blz. - ¿ 102,20 per deel.
Maar tegelijk was hij de schrik van de grootburgers. En van de kleinburgers, de militairen en de beambten. En de sociaal-democraten, de nationalisten, de revanchisten en alle andere hersenloze partijgangers. Kortom, hij was de nachtmerrie van alle bekrompenen van geest. Trouwens ook van alle groten van geest, de mensen met wereldomspannende ideeën, of die nu van reactionaire of marxistische snit waren.
Maar als hij dan zo veel mensen tegen zich in het harnas joeg, waarom wilde iedere ook maar enigszins liberale krant hem dan hebben? Hoofdredacteuren vochten om elke snipper tekst van Peter Panter, Theobald Tiger, Ignaz Wrobel, Kaspar Hauser of de man die achter al deze pseudoniemen schuilging: Kurt Tucholsky. Uitgevers stonden in de rij, zwaaiend met vette contracten, om zijn satirische geschriften te mogen drukken. Was het ontwikkelde deel der Duitse republiek aan een epidemie van masochisme ten prooi gevallen?
De Duitse natie was in verwarring. Ze had de Eerste Wereldoorlog verloren, maar deed niets om een volgende te voorkomen. Ze nam de verantwoordelijke militairen de epauletten af, om hen prompt weer van nieuwe te voorzien. Ze verbande haar keizer naar het Hollandse Amerongen, maar zette er leiders met nauwelijks enige ruggengraat voor in de plaats. Ze was verkrampt van angst voor het rode gevaar, maar zag niet hoe het bruine in haar midden aanzwol.
Te midden van die natiebrede machteloosheid hief Tucholsky zijn waarschuwende vinger, sloeg hij iedere falende politicus genadeloos aan de schandpaal en voorspelde hij alle rampen die de Weimar-republiek even later daadwerkelijk zouden treffen. En de natie dronk zijn welgekozen woorden, verpakt in sprankelende zinnen en snijdende strofen, gulzig in. Om ze uit te scheiden nog voor ze de bloedbanen hadden bereikt. De werking van Tucholsky's geschriften was nihil, zoals hij ook zelf besefte: “Ik heb succes, maar totaal geen invloed”. En toen zijn werken ten prooi vielen aan Hitlers brandstapels, keek het publiek werkeloos toe.
Van meet af aan heeft Tucholsky zijn landgenoten voorgehouden dat de revolutie van 1918 haar doel had gemist en dat het land op een nieuwe ramp van ongekende grootte afstevende. In 1920, het jaar waarin Tucholsky dertig werd en hij zijn faam nog maar net - maar toch al stevig - had gevestigd, hield hij zijn filippica's onder meer voor de luttele tien- à vijftienduizend lezers van Die Weltbühne, de bewaarplaats van het Duitse intellect in het interbellum. Maar ook voor de half miljoen kopers van Ulk, de satirische bijlage van het Berliner Tageblatt en de Berliner Volkszeitung. En voor het artistieke publiek van Schall und Rauch, het blad van de gelijknamige theaterwerkplaats.
En nu, ruim driekwart eeuw na dato, doet hij het opnieuw voor de liefhebbers van literaire monumenten. Want uitgeverij Rowohlt heeft besloten het monumentale historische gelijk van Kurt Tucholsky te eren met een monumentale Gesamtausgabe, “Completer dan de reeds bestaande complete uitgave, en voorzien van een even grondig als lezenswaardig notenapparaat.” Tweeëntwintig bakstenen van boeken, waarvan de eerste twee onlangs zijn verschenen en de laatste gepland is voor het jaar 2003.
De beide nu verkrijgbare delen bevatten respectievelijk de brieven uit de jaren 1933 en 1934, en alle teksten uit 1920.
Het laatstgenoemde boekwerk opent met zes liederen waarin Tucholsky het jaar 1920 begroet, één voor ieder van zijn belangrijkste broodheren. Zes uitgewogen composities in zes verschillende toonaarden, variërend van 'heiter' tot 'getragen'. Maar met slechts één, in melancholie gedrenkte boodschap: dat het nieuwe jaar de waarheid, gerechtigheid en schoonheid moge terugbrengen die sinds het begin van de oorlog het land hebben verlaten.
Het was een heftig jaar, Tucholsky's 1920, en de stukken die in de Gesamtausgabe over dat jaar bijeen zijn gebracht en waarvan er heel wat in eerdere verzamelingen ontbraken, leveren daar een onthutsende kroniek van. Een kroniek opgebouwd uit zulke uiteenlopende genres als essays, vertellingen, reportages, recensies, zedenschetsen, satiren, oproepen, aanvallen, verdedigingen, politieke, psychologische, juridische, cinematografische en erotische beschouwingen, en niet te vergeten liederen en gedichten, veel liederen en gedichten. In totaal 268 schrijfsels, alle handelend over het grote en kleine leed van een verdoofde natie, een natie van slaapwandelaars, ongevoelig voor de verschrikkingen die zich onder hun ogen afspeelden.
En tussen die slaapwandelaars liep de overgevoelige Kurt Tucholsky, een man wiens zenuwen bijna bloot lagen, slechts dunnetjes beschermd door een huid die op onaangename toenaderingen onmiddellijk reageerde met schrijnende aandoeningen. Een man die reeds op zijn dertigste verzuchtte dat hij zo moe, zo vreselijk moe was, dat hij zijn land en zijn landgenoten zo beu was, dat hij het allemaal niet meer aankon, dat de gedachte aan de dood. . .
Maar dan zette Siegfried Jacobsohn, oprichter en hoofdredacteur van Die Weltbühne en een van de weinigen voor wie Tucholsky achting voelde, hem er weer toe aan zijn pen te scherpen om de leugens en het verraad waarop de naoorlogse Duitse natie was gebouwd, aan de kaak te stellen. En dan schreef Wrobel weer een van zijn beroemde tirades tegen de officieren die, de verloren oorlog ten spijt, gewoon hun oude Pruisische privileges bleven opeisen.
Of dan schreef Panter weer een satirische dialoog waarin hij de draak stak met de opgeblazen leegheid der beambten; dichtte Tiger in sierlijke lijnen over de doodgeboren Duitse democratie; zong Kaspar Hauser een sarcastisch lied over de hooggehoede onmacht van Duitslands leiders; en deed Kurt Tucholsky onder zijn eigen naam een oproep om geld en tabak naar Die Weltbühne te sturen, teneinde het lot van de gevangen Spartakisten te verlichten.
Want een van de ernstigste misstanden in het jaar 1920, de misstand die Tucholsky's gal overvloedig deed stromen, was de absurde rechtsongelijkheid inzake politieke gewelddaden. Het was het jaar van de Kapp-putsch, de staatsgreep door enkele rechts-radicale officieren, van wie de meesten al weer snel na hun inhechtenisneming op vrije voeten kwamen, terwijl de linkse Spartakisten die het jaar daarvoor een Beierse radenrepubliek hadden willen stichten, van iedere amnestie werden uitgesloten.
Wat betreft de regelrechte politieke moorden was de rechtsbalans zonodig nog schever. In 1921 maakte Wrobel de rekening van de voorafgaande jaren op: voor 314 moorden op 'linksgerichten' kregen de daders in totaal 31 jaar en drie maanden gevangenisstraf, plus eenmaal levenslang; voor 13 moorden gepleegd door 'linksgerichten' legde de rechter acht doodvonnisen op, alsmede 176 jaar en tien maanden gevangenisstraf.
Maar de Tucholsky-kroniek van het jaar 1920 heeft veel meer te bieden dan eloquente politieke verontwaardiging. Ze levert een staalkaart van Tucholsky's levenslange voor- en afkeuren, van zijn smaken op het gebied der schone letteren en kunsten, van zijn sympathieën en antipathieën in de kringen van de geest. We lezen wie hij mateloos bewondert (Franz Kafka, en niet te vergeten Karl Kraus, zijn Weense broeder in de strijd tegen het militarisme), en wie hij even mateloos verafschuwt (de reactionaire doemdenker Oswald Spengler). We zien hoe hij terugdeinst voor de avant-garde ('Dada - na ja'), en hoe hij de expressionisten (de tekeningen van George Grosz, de film 'Das Kabinett des Dr. Caligari') in de armen sluit.
We zien daarnaast ook zijn grootmoedigheid. Wanneer mensen die hem tegenstaan in de verdrukking komen, kunnen ze op hem rekenen. Zodra de homoseksuoloog Dr. Magnus Hirschfeld, in Tucholsky's ogen een charlataneske misleider van 'mannelijke oude maagden', door opgeschoten Beierse jongelui van het podium wordt gesleurd en in elkaar geslagen, heeft Ignaz Wrobel binnen een dag een vlammende aanklacht klaar.
En dan is er het hoofdstuk liefde en erotiek. De man die nu niet bepaald bekend stond als een gezelschapsmens, die je zelfs zou kunnen verdenken van een zekere aanrakingsangst, had een krachtig ontwikkelde behoefte aan de erotische aanwezigheid van vrouwen. Erotische aanwezigheid, jawel, want gewone, alledaagse aanwezigheid benauwde hem.
Zolang Mary Gerold een verre Baltische geliefde was, bleef de vlam van het verlangen moeiteloos flakkeren, maar toen ze in 1920 eindelijk ambtelijke toestemming kreeg om zich bij hem in Berlijn te voegen, vluchtte hij van haar weg in een huwelijk met Else Weil, een verbintenis waarover weinig meer bekend is dan dat ze vier jaar duurde, hem niet hinderde in zijn onstuitbare overspeligheid, en gevolgd werd door jarenlang getouwtrek over de honderd marken alimentatie per maand die hij haar bij de scheiding had toegezegd.
Mary Gerold bleef overigens om hem heen cirkelen, trouwde uiteindelijk toch met hem, om na vier jaar, kennelijk Tucholsky's maximum, weer bij hem weg te gaan. Hoewel ze daarna toch zijn 'geliefde op afstand' bleef, wat mag blijken uit het feit dat zij de enige was aan wie hij een persoonlijke afscheidsbrief schreef toen hij zich in 1935, verscholen in een Zweeds ballingsoord, vergiftigde. En zij is de enige vrouw die nadien met recht Tucholsky's achternaam bleef dragen, een recht dat zij onder meer verdiende door op kundige wijze de nalatenschap van haar echtgenoot te beheren.
Nee, het was niet makkelijk om dicht bij deze man te komen, om zijn afgronddiepe twijfels en kwellende onzekerheden te doorgronden, en zijn schurende existentiële angsten na te voelen. Rond zijn ziel had Tucholsky een ondoordringbare glazen wand opgericht, zoals hij eens in een vlaag van radeloze eerlijkheid tegenover Mary Gerold bekende. Onbenaderbaar was hij, afstand had hij nodig, deze uiterlijk zo kosmopolitische en ruimdenkende man. “Van buiten onbewogen, van binnen zo changeant”, schreef hij in 1920 over zichzelf.
Zo, als die gesoigneerde kosmopoliet, moeten de bewoners van Berlijn Tucholsky in 1920 door de stad hebben zien lopen. Een keurig geklede, netjes gekapte en glimmend geschoeide verschijning, ietwat vroegoud ogend voor zijn dertig jaar, maar dat kon ook door zijn vorsende blik komen, de blik waarmee hij het gedoe van zijn stadsgenoten bezag, afkeurend waar hij op lompheid stuitte, meedogend zodra hij armoede en verpaupering ontwaarde, en begerend vis-à-vis vrouwelijk schoon (“Ach, kon je ze maar allemaal bezitten”).
Uiterlijk onbewogen, van binnen diep geraakt - dat is Kurt Tucholsky in Berlijn aan het begin van de jaren twintig. Een dunhuidige intellectueel die met moeite de kolkende chaos in zijn binnenste bedwingt. Er zijn maar twee wegen waarlangs de hitte van zijn gemoed kan ontsnappen: de een leidt naar de schrijfmachine, de ander naar het bed. Daarnaast kan alleen stilte, afstand, ongenaakbaarheid hem redden. En die bereikt hij door de vlucht.
In 1924 ontvlucht hij Berlijn voorgoed. Enkele jaren later gaat hij op de loop voor het hoofdredacteurschap van Die Weltbühne, dat door de dood van Jacobsohn vacant was geworden. Weer enkele jaren later, tijdens Hitlers onstuitbare opkomst, ontvlucht hij de openbaarheid. En luttele jaren daarna ontvlucht hij het leven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.