*

 

Sartre lispelt in het oor van Oë

HUGO POS − 25/10/96, 00:00

recensie Kenzaburo Oë: Schreeuwen in de nacht. Vert. Jacques Westerhoven. Meulenhoff, Amsterdam;. 191 blz. - ¿ 37,90.

De Japanse Nobelprijswinnaar Oë werd in 1935 geboren, 'Schreeuwen in de nacht' verscheen in 1962. Het behoort, zoals alle in het Nederlands vertaalde boeken van Oë, tot zijn vroegere werk. Ik heb al eens eerder betoogd dat de uitgever ons het latere werk van Oë blijft onthouden, waardoor we, behalve door een sporadische buitenlandse vertaling van boek en/of artikel, niet in de mogelijkheid verkeren hem in zijn ontwikkeling te volgen. Volgens Westerhoven in zijn nawoord “valt niet te ontkennen dat Oë's latere werken, met hun uitgesponnen beschouwende passages en veelvuldige verwijzingen naar weliswaar beroemde, maar weinig gelezen Japanse en westerse auteurs, geweldige eisen aan de lezer stellen en vaak nauwelijks meer als romans kunnen worden beschouwd, maar eerder als gedramatiseerde filosofische traktaten”.

Het moet mij van het hart dat dit boek, dat stamt uit de periode van de hoogtijdagen van het existentialisme, enigszins gedateerd op mij overkomt. De gedachtewereld van Sartre schemert door het hele boek heen en de schrijver opent zijn verhaal ook met een citaat uit een van diens artikelen. “Eens, in een tijd van angst, toen iedereen wanhopig wachtte op redding die maar niet wilde komen, verhief iemand zijn stem en schreeuwde om die verre hulp, en ieder die dat hoorde vroeg zich af of die schreeuw niet van hemzelf afkomstig was.”

Een jonge Amerikaanse homoseksueel, veteraan uit de Koreaanse oorlog, laat in Japan een jacht bouwen dat 'Les Amis' (De vrienden) moet gaan heten en zoekt drie metgezellen om straks met hem mee te gaan. Een ervan is de verteller van dit verhaal, een student die met zijn familie gebroken heeft en geteisterd wordt door een bijna hysterische angst voor de denkbeeldige mogelijkheid van een opgelopen syfilis. Tijger, zoon van een Japanse moeder en een Amerikaanse negersoldaat, is de tweede. De derde is Takao, zoon van een Koreaanse vader en een Japanse moeder. Koreanen en negers waren in Japan niet gezien en de moeder van Takao doet er alles aan om haar zoon voor een volbloed Japanner te laten doorgaan.

Oë heeft al deze personen neergezet zonder vaste grond onder hun voeten. Van de reis komt niets, de Amerikaan moet wegens homofiele contacten schielijk het land verlaten. Het ontbreekt de vrienden aan geld om het jacht te laten afbouwen.

Om zichzelf te kunnen zijn en te ontkomen aan een land waarin hij zich niet thuisvoelde had de 16-jarige Tijger zich aangesloten bij de groep rondom 'Les Amis'. Hij, de halve neger, droomde van Afrika, waar hij straks naartoe wilde varen. Zijn pogingen om zichzelf authentiek uit te drukken, zichzelf in zijn eigen ogen te kunnen zijn, ontladen zich ten slotte in zinloze dreigementen met een speelgoedmachinepistool. Hij wordt dan bij een achtervolging door twee M.P.'s neergeschoten.

Takao, de 'meester-masturbist', begaat kort daarna, vanuit diezelfde beweegredenen in een soort schemertoestand, een moord op een onschuldig schoolmeisje. De rechtszitting, waar hij zich niet verweert als hem ook verkrachting ten laste wordt gelegd, vormt het hoogtepunt van het boek. Takao vindt de doodstraf de bij hem passende uitdrukking van zijn bestaan “in deze werkelijke wereld van anderen ben ik alleen maar op doorreis”.

De verteller krijgt een uitnodiging van de Amerikaan om hem in Parijs te komen opzoeken. Hij doet dat, ze ontmoeten elkaar, het is nog net ochtend, maar “diep in mijn oren blijven schreeuwen klinken, schreeuwen in een troosteloze, hartbrekende dageraad. De stemmen lijken op die van Takao en mij, en de schreeuwen zijn schreeuwen van angst.”

mailIcon print |