*

 

Veldwachter moest naar burgemeester luisteren en stadhuis poetsen

KRISTA KROON − 03/02/96, 00:00

recensie T'uwen dienst. De geschiedenis van de politie in Nederland vanaf de middeleeuwen tot de Tweede Wereldoorlog. Uitgeverij Scriptum, Schiedam, ¿ 39,50.

Op school boeide het vak geschiedenis hem niet bijzonder, maar als politieman raakte Frank van Riet gegrepen door het verleden van zijn vak. De rechercheur besloot op zijn 25ste een boek te schrijven over de geschiedenis van de politie. Al zijn vrije uren bracht hij door in archieven en achter de schrijftafel. Zes jaar later is het boek, getiteld T'uwen dienst, af. Vlot geschreven en rijk geïllustreerd, want het moet boeiend zijn voor alle belangstellenden - bijvoorbeeld politiemensen.

“Er was wel een historisch overzichtswerk, maar dat was veel te wetenschappelijk”, vertelt de politieman. “Heel diepgaand en met veel noten.” Van Riets boek is dat zeker niet. Noten komen er niet in voor en diepgravend is het evenmin. Het maatschappelijke toneel waarop de politie werkt, komt slechts zeer summier aan bod. De amateur-historicus neemt weinig afstand van zijn materiaal en schrijft bij voorbeeld onbekommerd dat in de jaren dertig vele malen “moest worden opgetreden tegen spontane of georganiseerde ordeverstoringen”, en dat de politie 'gelukkig' de rust kon herstellen. Op andere momenten stelt hij zich te veel op als politieman die vol verbazing terugkijkt in de tijd. Hij heeft het dan over “de meest rare, lachwekkende instructies en orders”, die - ook alweer 'gelukkig' - soms werden afgeschaft.

Maar over het geheel genomen leest het boek als een trein. Van Riet heeft oog voor saillante details. Hij schrijft over veldwachters die beschonken met hun dienstwapens liepen te zwaaien. Een veldwachter met een kwade dronk ging zijn burgemeester met een scheermes te lijf, toen deze hem wegens drankmisbruik wilde ontslaan. Het liep nog goed af, de dochter van de burgemeester kon tijdig hulp halen. Een zwerver in Baarn was minder gelukkig. Deze klopte in 1924 bij de politie in Baarn aan om te overnachten. De man werd zoals gebruikelijk opgesloten, maar vervolgens vergeten. Zestien dagen later werd hij dood in zijn cel aangetroffen.

Een ander griezelverhaal gaat over de koelbloedige moord op vier veldwachters. Het drama vond plaats in 1929 op het Groningse platteland. Toen dezen aankwamen bij het afgelegen huisje van een vrouw die zij wilden arresteren, schoot haar vriend hen dood.

De rechercheur heeft sinds zijn onderzoek een andere kijk op misdaad. “Je hoort zo vaak dat de criminaliteit de pan uit rijst. Maar ik durf nu te zeggen dat dat niet klopt. Misdaad is er altijd geweest. Vroeger had je smokkelaars en stropers, die vaak geweld gebruikten. De wetsdienaren werden vaak bedreigd.” Ook drugs waren er al in de jaren dertig. De eerste voorloper van het Interregionale recherche team (IRT) werd in 1932 opgericht: de Nederlandse centrale ter bestrijding van de smokkel in verdovende middelen, gevestigd in de havenstad Rotterdam.

Zelf vindt Van Riet deze drugsbestrijders niet zo interessant. De veldwachters spreken hem meer aan. Zij moesten in de negentiende en begin twintigste eeuw het platteland boevenvrij houden. “De veldwachter kende ik uit Swiebertje. Dat was leuk, vooral omdat het beeld uit die tv-serie ook nog bleek te kloppen. Bromsnor is altijd heel onderdanig. Het woord van de burgemeester is wet. In het echt ging het ook zo: de veldwachter moest doen wat de burgemeester zei. Hij hield ook het gemeentehuis schoon en maakte de kachel aan.”

Goed betaald kreeg de veldwachter ook al niet. “De slechte sociale omstandigheden van vroeger, daar sta je van te kijken”, vindt Van Riet. Op de omslag van zijn boek staat een oude, stramme man met een stok, gekleed in veldwachtersuniform. “Dat vind ik typerend. Wat kon zo'n man van zeventig nog uitrichten? Maar hij was gedwongen te blijven werken, omdat er geen pensioenvoorziening was.”

Met de IRT-affaire in het achterhoofd vragen veel mensen aan Van Riet hoe kreukvrij het imago van de politie vroeger was. Hij heeft er in de archieven weinig over gevonden. “Maar van mijn eigen grootouders, die op het platteland woonden, weet ik dat de politieagent daar zeker aanzien had.” Veldwachters moesten kunnen lezen en schrijven, wat hun status verhoogde in een tijd dat hun dorpsgenoten vaak analfabeet waren.

Maar bij arbeiders was de politie zeer impopulair. De dienders rukten uit bij stakingen en demonstraties om het verzet neer te slaan. Politieke protesten en voedselrellen werden door politie, leger en marechaussee hardhandig beëindigd. Bij het Jordaanoproer in 1934 vielen door het politie-optreden zeven doden en meer dan honderd gewonden. Tijdens de begrafenis van één van de vier vermoorde Groningse veldwachters kwam de haat tegen de politie tot uiting. Er waren relletjes waarbij 'de politie werd beledigd en de dader verheerlijkt', schrijft Van Riet.

De bijverdiensten die de onderbetaalde wetsdienaars erop nahielden, maakten hen niet geliefder. In de middeleeuwen verviel het bezit van zelfmoordenaars bijvoorbeeld aan de schout, de toenmalige commissaris. Daarom mocht iemand die op het punt stond te verdrinken niet gered worden. Wie weet was zij of hij met opzet in het water gesprongen en kon de schout het bezit van de drenkeling incasseren. Alleen de sterke arm mocht drenkelingen uit het water halen. Tegen de tijd dat die arriveerde, was het vaak te laat. Het slachtoffer werd postuum tot zelfmoordenaar bestempeld; een lucratieve regeling voor de schout.

Ook boetes waren gedeeltelijk voor deze middeleeuwse commissaris. “Dat leidde natuurlijk tot willekeur, dus dat zal het aanzien van de schout niet vergroot hebben”, denkt Van Riet. Zijn helpers, de 'rakkers', hadden een ander voordeel: zij mochten in hun woning bordeel houden. Daarmee sloeg het stadsbestuur twee vliegen in één klap: het kreeg enige controle over de prostitutie en het bespaarde op de personeelskosten. Een rakker die ook bordeelbaas was, had geen salaris nodig.

Het is de rechercheur meegevallen om naast zijn full-time baan een boek te schrijven. “Ik heb wisselende diensten. Als ik op zondag moest werken, had ik door de week een dag vrij om naar het archief te gaan.” Hij heeft nooit last gehad van twijfels of inzinkingen, zegt hij zelfbewust: “Ik had steeds helder voor ogen hoe mijn boek er uit moest komen te zien.”

Van Riet heeft de smaak van het geschiedschrijven te pakken. T'uwen dienst is pas het eerste deel van wat een 4-delige serie moet worden. Deel 2 zal gaan over de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Met het onderzoek voor dat boek is hij al ver gevorderd. “De grote lijnen heb ik al op papier. Ik wil het goed-fout-verhaal loslaten. Mijn vraag is: hoe was de oorlog voor de gewone politieman? Het is nu heel gemakkelijk om met de vinger te wijzen. Maar ik weet echt niet, wat ik toen gedaan zou hebben.”

mailIcon print |