*

 

De quasi-wijsheden van Marianne Frederiksson

MONICA SOETING − 28/08/99, 00:00

recensie Twee jaar geleden publiceerde Marianne Frederiksson een fictief verhaal over het leven van Maria van Magdala. Op 1 september verschijnt het onder de titel 'Volgens Maria Magdalena' in een Nederlandse vertaling. Omdat Frederikssons eerder verschenen romans daverende verkoopsuccessen waren, heeft De Geus meteen maar 100 000 exemplaren laten drukken.

Of men daaraan verstandig heeft gedaan, zal nog moeten blijken. Zeker is in ieder geval dat 'Volgens Maria Magdalena' alle elementen in zich heeft die 'Anna, Hanna en Johanna' en ook 'Simon' tot bestsellers hebben gemaakt. Ook in Frederikssons nieuwste boek zijn de geheimen niet van de lucht en strooit de schrijfster met gulle hand allerhande quasi-wijsheden door haar tekst, en wemelt het van vrij in te vullen termen als 'het raadselachtige' en 'het onnoembare'.

Soms weet de schrijfster al deze stijlbloempjes in één alinea te combineren, en dat levert dan hilarische passages op: ,,Maar hij kwam al gauw tot de ontdekking dat ze de band met het onbenoembare niet had verbroken. Ze wist dat bloemen bedachtzaam van aard waren en dat geen enkele plant zo onverschillig was als het leek. Ze zei dat ze van de oude bomen hield, die daar maar aan de oever van het meer stonden en de tijd opslokten. Op die manier lieten ze de tijd stilstaan, vond ze.'

Wie het begrijpt, mag het zeggen. Maar om begrip, dat wil zeggen, rationeel begrip, gaat het Frederiksson natuurlijk niet. Dat is tegelijkertijd haar sterkte en haar zwakte. Wat haar nieuwe roman interessant maakt, is de kritiek op het westerse denken zoals ze die door Maria van Magdala laat verwoorden: de anti-dogmatische boodschap van Jezus zou door zijn discipelen van Griekse afkomst verbasterd zijn tot een neo-platonische leer vol dogma's en wetten. Een dergelijke opvatting is nauwelijks nieuw of origineel, maar er valt wel het een en ander voor te zeggen. Niet voor niets schrijft Frederiksson in de inleiding dat het werk van de filosofe Simone Weil haar tot het schrijven van haar roman over Maria van Magdala inspireerde.

Ronduit belachelijk daarentegen is de manier waarop Frederiksson niet alleen Maria van Magdala, maar ook Jezus als puberale half-idioten portretteert. De manier waarop ze Jezus en zijn vermeende minnares - in de roman hebben Jezus en Maria van Magdala een verhouding - met elkaar laat converseren, doet de argeloze lezer vermoeden dat een niet-rationalistische manier van denken gelijk staat aan het uiten van de meest abjecte onzin.

Bovendien is Frederiksson zich allerminst bewust van haar eigen rationalistisch erfgoed. Zo blijkt ze bijvoorbeeld niet te weten dat veel bijbelvertalers een verkeerde betekenis hebben gegeven aan de oorspronkelijke teksten. Uitspraken van Paulus over de rol van gemeenteleden, die het in de roman herhaaldelijk moeten ontgelden vanwege het vrouwonvriendelijk gehalte, hebben in vertalingen een discriminerend karakter gekregen, maar zijn dat in de originele tekst allerminst. En in een waarschijnlijk als hogelijk poëtisch bedoelde passage waarin Frederiksson de ziel met het lichaam laat converseren, slaat de schrijfster een ronduit platte Griekse flater: anders dan zij veronderstelt, vormen ziel en lichaam volgens de bijbel geen tegenpolen.

Helaas overheerst in het werk van Frederiksson het zwakke het sterke. Voor 'Volgens Maria Magdalena' geldt dat niet minder dan voor 'Anna, Hanna en Johanna' of voor 'Simon'. Maar omdat halfbakken gewauwel al te makkelijk voor diepzinnigheid wordt aangezien, en onbegrijpelijkheid veel te vaak als een onmisbaar element van de literatuur beschouwd wordt, zal ook 'Volgens Maria Magdalena' ongetwijfeld binnen de kortste keren een tweede druk beleven.

mailIcon print |