recensie 'Velerhande gedichten' van Wiel Kusters bevat, zoals de titel al suggereert, een tuiltje mengelwerk. De afdelingstitels specificeren dit nader: 'Aandachtig', 'Boertig', 'Amoureus' en 'Klein Liedboek'. Een en ander is, voor wie zijn klassieken kent, een directe verwijzing naar Bredero en meer in het algemeen naar de rederijkers, wier poëzie ook vaak in 'wys', 'sot', en 'amoureus' is onderverdeeld.
Kusters als moderne rederijker? Waarom niet? Er is door de rederijkers naast het drakerig bijeengeknittelde 'Saecbert' van De Casteleyn nog genoeg poëzie geschreven die wél de moeite waard is. Het speelse en lichtvoetige element, bij een desnoods zware thematiek, heeft Kusters in elk geval met deze voorgangers gemeen, terwijl ook de opname van talloze gelegenheidsgedichten in zijn nieuwe bundel enigzins doet denken aan de praktijken in de voormalige dichtersgilden.
Kusters verzen, ooit diep afdalend in de mijnen van zijn Limburgse geboortestreek, zijn gaandeweg steeds meer aan de oppervlakte gekomen. Het lichte en luchtige heeft het koolzwart nagenoeg verdrongen. Maar toch, hoe gemoedelijk en koutend het er ook aan toe gaat, aan het slot wacht vaak, zoals in het gedicht 'Touwtje trekken', de dood:
Lang geleden, het was kermis, mocht ik een keer touwtje trekken. Een keer trekken voor een kwartje, met heel mijn ziel en kinderhartje.
Nu ging ik mijn hart ophalen. Ik nam een touwtje van de vele en voelde hoe het weerstand bood. Het trok aan mij en ik ging dood.
Geen diepzinnig, maar wel een suggestief gedicht. Er hangt over al deze gedichten, of zij nu als 'aandachtig' of 'boertig' staan gerubriceerd, een waas van kinderlijke eenvoud en ontvankelijkheid. De stemming lijkt belangrijker dan de gedachte, of is de laatste althans steeds een paar stappen voor.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.