*

 

Pam klapt toch ook voor Mulisch

ONNO BLOM − 28/11/97, 00:00

recensie Te midden van alle grote en minder grote beroemdheden, die de afgelopen weken hun handen stuk klapten ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Harry Mulisch, zat ook een toeschouwer in de zaal die zachtjes 'boe!' riep.

Max Pam publiceerde, niet toevallig juist ten tijde van alle festiviteiten, de roman 'De Herenclub', die eerder als feuilleton in de Volkskrant was verschenen. Het is een satirische sleutelroman over Horus Mimir, 'de grootste schrijver van de eeuw', die zijn twaalf beste vrienden elke week bijeenroept voor een maaltijd in het restaurant van tv-kok Joop Braakensiek.

Op de cover van 'De Herenclub' staat een schilderij van het Laatste Avondmaal, waarop niet Christus het brood breekt, maar Harry Mulisch/Horus Mimir met een smeulende pijp in de mond. Net als de goddelijke hoofdpersoon zijn ook alle apostelen, die in werkelijkheid geregeld in Braakhekke's 'Le Garage' bijeenkwamen, zeer herkenbaar gebleven. Hendrik van Dijk is Marcel van Dam, Gees Kruidentuin is Cees Nooteboom, Guido Oudhoff is Hans van Mierlo en Flap Dresselberg is Wim Duisenberg.

'De herenclub' is niet alleen een karikatuur van de bijeenkomsten zelf. Het is ook een satire op het leven van Mulisch, die als Horus Mimir een boek over Astrophysics maar niet uitleest, zich kleedt als een paspop en zijn maagkanker miraculeus overleeft.

In laatste instantie is het ook een stilistische parodie. Pam deelt zijn boek, net als 'De ontdekking van de Hemel' ('Ik ben het Universum') op in vier delen. Bij Mulisch lopen die delen van 'het begin van het begin' tot 'het einde van het einde' en bij Pam van 'de onderste steen onder' tot 'de bovenste steen boven'. Het ijverigst heeft de satiricus zich uitgeleefd op het herschrijven van een aantal van de bekendste apodictische stellingen van de schrijver. Mimir beweert met veel aplomb: 'Ik ben Auschwitz' en 'de literatuur gaat heen waar ik heen wil'.

Het meest opvallende aan 'De Herenclub' is de mildheid waarmee Pam zich aan Mulisch' satirische portret heeft gezet. Bikkelhard of kwetsend wordt het nergens. Horus Mimir worden weliswaar allerlei opgeblazen en vreemde eigenschappen toegeschreven, maar daar is Harry Mulisch zelf ook altijd scheutig mee geweest. Achterop 'De pupil' staat een foto met het onderschrift: 'Van links naar rechts: de Vesuvius, Harry Mulisch'. De hoofdpersoon van 'De pupil' somde al Mimirs verbluffende eigenschappen al op: “een volstrekt onafhankelijke geest en een universele belangstelling, uitzonderlijk begaafd, met een mateloze ambitie, gecombineerd met een tomeloze werklust, daarbij ongetwijfeld creatief, met een aangeboren mensenkennis en een verbluffend originele fantasie, ook zeer geestig en ad rem, bovendien vrijwel volmaakt gebouwd en altijd smaakvol gekleed, welgemanierd, goed van de tongriem gesneden en bij dat alles van een hartveroverende bescheidenheid”.

Me dunkt dat deze opsomming tussen de parodistische zinnen van Pam niet zou hebben misstaan. 'De herenclub' is bij tijd en wijle humoristisch, maar het is de zelfvergrotende humor die Mulisch zelf als schrijver en als publiek persoon in het leven heeft geroepen. Zo is 'De Herenclub' van Max Pam onbedoeld misschien een groter eerbetoon aan het imago van de schrijver, dan het lawaaiige applaus van al die beroemdheden.

mailIcon print |